Table of Contents

    Energiebeleid binnen de normale marktvoorwaarden

    Het diversifiëren van onze bevoorrading met stookolie en petroleumproducten wordt overgelaten aan de keuze van de Belgische invoerders.

    Voor het controleren van de vraag naar petroleumproducten voeren de federale en regionale regeringen een meer actief beleid, vooral in het kader van het beleid voor duurzame ontwikkeling, de nationale en regionale klimaatplannen en de richtlijnen voor het milieu en het rationele energiebeleid.

    Beleid in geval van een bevoorradingscrisis van stookolie

    De strijd tegen een crisis (een nationale of internationale) op de petroleummarkt valt volledig onder de bevoegdheid van de FOD Economie. Sinds de eerste petroleumcrisis in 1973-1974 werd een waaier aan instrumenten uitgewerkt zoals:

    • het beheer van diverse databanken om een betere kennis van de markt te hebben;
    • creëren van een Nationaal Oliebureau;
    • aannemen van een adequate wetgeving;
    • aanleggen van nationale aardoliestocks en aardolieproducten.

    Kennis van de markt

    De basis van een crisisbeleid steunt op en aantal historische en actuele gegevens die voldoende gedetailleerd zijn, die door alle partijen worden geaccepteerd en die een beeld geven van de verschillende spelers op de aardoliemarkt en hun activiteiten.

    De FOD Economie beheert via zijn Algemene Directie Energie:

    • een gegevensbank over de spelers op de Belgische aardoliemarkt;
    • een gegevensbank over de operationele dienststations en een gegevensbank over de privépompen (via het Fonds voor de analyse van de aardolieproducten of Fapetro);
    • een gegevensbank over de aardoliedepots op het Belgische grondgebied;
    • kennis van de activiteiten op de Belgische aardoliemarkt, via de maandelijkse en trimestriële statistieken;
    • een overzicht van de nationale stocks van de aardolieproducten en de plaats waar ze worden opgeslagen.

    Nationaal Oliebureau (NOB)

    In het kader van het Internationaal Energieprogramma zijn de lidstaten van het Internationaal Energie Agentschap(IEA) verplicht om een nationale instelling te plannen, die men de “National Emergency Sharing Organisation (NESO)” noemt en waarvan de bevoegdheden en de taken formeel worden opgenomen in een akkoord.

    In overeenstemming met de richtlijnen van de NAVO moet elke lidstaat in crisistijd een NOB creëren dat instaat voor het contact met de aardolie-instanties van de NAVO.

    Het koninklijk besluit van 11 oktober 1984 concretiseert de oprichting van het Nationaal Oliebureau, dat belast is met:

    • het permanent onderzoek naar al de elementen met betrekking tot de bevoorrading en het gebruik van aardolie;
    • het herkennen van al de elementen, die op nationaal of internationaal vlak aanduiding geven dat er bevoorradingsproblemen zouden kunnen zijn;
    • het op punt zetten van en het voorstel aan de minister van Energie van alle maatregelen die geschikt zijn om op een redelijke en evenwichtige manier de bevoorradings- en distributiestoornissen te verlichten of te elimineren.

    Het NOB valt onder de beleidsbevoegdheid van de minister van Energie. Het dagelijkse beheer wordt toevertrouwd aan de Algemene Directie Energie van de FOD Economie. Bij de voorbereiding en tijdens crisismomenten worden de minister en de algemene directie bijgestaan door werkgroepen die de experts groeperen van de aardoliesector, van andere administraties van de FOD Economie en van andere federale departementen.

    Wetgeving

    Bij vroegere aardoliecrises heeft men een aantal ministeriële besluiten genomen die trachten de vraag te beperken en het aardolieaanbod te regelen. Momenteel bevinden deze ministeriële besluiten zich als geactualiseerde documenten in de wachtkamer.

    In de herfst van 2002 begon men met een oefening om het beleid te actualiseren. De Algemene Directie Economisch Potentieel van de FOD Economie stelde in samenwerking met de andere federale en regionale administraties een lijst op met de prioritaire verbruikers van aardolieproducten.

    In 2004 organiseerde de FOD Economie onderhandelingen met de verschillende sectorale organisaties en met personen die onderworpen zijn aan de opslagverplichting en dit met het oog om te komen tot een definitie van de regels voor de nationale en internationale verdeling van de reserves en tot een oproep voor de nationale stocks. Een “gentlemen’s agreement” project werd opgesteld in overleg met de sector.

    De wet van 20 juli 2006 geeft op basis van een uitbreiding van de wet van 1976 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma de mogelijkheid om via koninklijke besluiten de regels te bepalen voor de internationale en nationale toebedeling, voor de inzet van de verplichte voorraden, voor beperkende maatregelen en prioritaire eindgebruikers.

    Strategische aardolievoorraden en -producten

    België beschikt over een "noodvoorraad" of strategische voorraad met aardolieproducten.

    Het Internationaal Energieagentschap (IEA) verplicht ook om een voorraad aan te houden die gelijk is aan 90 maal het daggemiddelde van de netto-invoer van alle aardolieproducten.

    En de Europese Unie verplicht de lidstaten om het equivalent van 25% (hetzij 90 dagen) aan te houden van de hoeveelheid aardolieproducten die geleverd werd voor het jaarlijks verbruik van het voorgaande jaar.

    De Europese Richtlijn 2009/119/EG laat toe om de verplichte voorraden aan te houden in de vorm van één of meerdere van de volgende producten:

    • ruwe aardolie
    • ethaan
    • motorbenzine
    • vliegtuigbenzine
    • reactiemotorbrandstof van het kerosinetype
    • andere kerosine
    • gasolie/diesel gedistilleerde stookolie
    • stookolie (met hoog en laagzwavelgehalte)
    • white spirit en speciale benzinesoorten
    • smeermiddelen
    • bitumen
    • paraffine
    • petroleumcoke

    De Europese wetgeving bepaalt de regels voor de voorraden die de Europese lidstaten dienen aan te houden, maar niet de manier waarop ze dat moeten doen. Ze bepaalt enkel dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking moeten doen treden om een minimale voorraad aan te houden.  Alle lidstaten hebben van die vrijheid gebruikgemaakt om hun eigen systeem voor de opslag van reserves te ontwikkelen.

    Er zijn drie systemen:

    • een gedecentraliseerd systeem waarbij een lidstaat zijn opslagverplichting overdraagt aan de oliesector;
    • een gecentraliseerd systeem waarbij een lidstaat een instantie opricht die in zijn plaats verantwoordelijk is voor het aanhouden van een minimale voorraad en dat doet door eigen reserves aan te kopen en/of de hoeveelheden te reserveren bij oliemaatschappijen;
    • een gemengd systeem waarbij de minimale voorraad van de Staat deels wordt beheerd door de oliesector en deels door bovenvermelde instantie.

    België kiest al jaren voor een gedecentraliseerd systeem en draagt zijn opslagverplichting over aan importeurs en raffinaderijen.

    Hoewel heel wat lidstaten van de EU en het IEA (zoals Duitsland en Nederland) ervoor kiezen om een instantie de nationale voorraden te laten beheren door nu en dan ruwe aardolie en afgewerkte aardolieproducten aan te kopen, heeft de FOD Economie een wetgeving uitgewerkt die zowel voor de sector als voor de autoriteiten aanvaardbaar is. Daardoor kan België zijn internationale verplichtingen nakomen op het vlak van de minimale voorraden, en de beschikbaarheid verhogen en de kwaliteit van de verplichte voorraden respecteren.

    Als gevolg van het goedkeuren van de wet van 26 januari 2006 over het houden van verplichte aardoliestocks en -producten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze stocks werd een naamloze vennootschap onder publiek recht opgericht; APETRA (Agence du pétrole –  Petroleum Agentschap).

    APETRA moet over het algemeen de strategische stocks beheren en ruwe aardolie of afgewerkte aardolieproducten aankopen, opslagcapaciteiten kopen, bouwen of huren, en contracten voor operationele stocks afsluiten bij Belgische of buitenlandse operatoren. Het moet strenge eisen respecteren qua kwaliteit en beschikbaarheid. Deze worden opgelegd door de wet van 26 januari 2006, die regelmatig voorziet in fysieke controles en die afschrikwekkende sancties inhoudt.

    Bij de aanvang van zijn activiteiten, op 1 april 2007, had APETRA, ongeveer 85 % van de nationale verplichtingen in handen, de rest werd door de grootste operatoren beheerd. Gedurende de eerste vijf jaar van zijn bestaanwordt de opslagverplichting van de grote operatoren stilaan teruggedrongen, zodat APETRA uiteindelijk volledig instaat voor de hele Belgische opslagverplichting.

    De Algemene Directie Energie van de FOD Economie zetelt in de Raad van Beheer van APETRA.

    Internationaal crisisbeleid voor olie

    Het crisisbeleid voor olie wordt bepaald door het Internationaal Energie Programma, oprichtingstekst voor het Internationaal Energieagentschap. De verplichtingen die de deelnemende landen door ondertekening van deze bindende overeenkomst hebben genomen, zijn in beginsel:

    • het aanhouden van noodvoorraden, momenteel vastgesteld op 90 dagen netto-invoer;
    • het beschikken over een operationeel pakket van vraagbeperkende maatregelen;
    • het ter beschikking kunnen stellen van olie of olieproducten ten tijde van crisis. Dit regelt de verdeling van de aangelegde reserves tussen de deelnemende staten in geval een aardoliecrisis tot schaarste leidt in een of meerdere lidstaten;
    • het opleggen van verplichtingen voor petroleumstatistieken en rapportering.

    In dreigende crisissituaties wordt in IEA-kader door de lidstaten bekeken wat de gewenste optimale samenstelling is van het te nemen pakket maatregelen. De belangrijkste instrumenten die het IEA daarbij ten dienste staan, zijn de inzet van strategische voorraden en het beperken van de vraag naar olie.

    Publicaties

    Laatst bijgewerkt
    15 januari 2018

    Laatste nieuws voor dit thema

    1. Energie

      Wist u dat de prijzen van aardolieproducten geplafonneerd zijn?

    2. Energie

      Oproep tot indiening van blijken van belangstelling

    3. Energie

      Het sociaal tarief voor elektriciteit en aardgas - Wijziging van tarieven vanaf 01.02.2019