Advies van 13 juni 2017 van de Raad voor de Intellectuele Eigendom

Tijdens zijn vergadering van 5 december 2016 heeft de Raad voor de Intellectuele Eigendom beslist om met toepassing van artikel 6, §1, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 het onderzoek van het voorontwerp van wet tot omzetting in Belgisch recht van de Richtlijn 2016/943 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan toe te vertrouwen aan een ad hoc werkgroep.

Gelet op het ruime toepassingsgebied van de richtlijn betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen, konden zowel leden van de sectie “Industriële Eigendom”, als leden van de sectie “Auteursrecht en naburige rechten” deelnemen aan de ad hoc werkgroep. De werkgroep was samengesteld uit de volgende leden: F. de Visscher, S. Granata, M-C. Janssens, D. Kaesmacher, A. Mottet, A. Puttemans, B. van den Hazel en B. Vandermeulen. Mevrouw Andrée Puttemans heeft het voorzitterschap van de werkgroep waargenomen. Mevrouw M-N. Dinant, vertegenwoordigster van de F0D Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, mevrouw M. Vanconingsloo, vertegenwoordigster van de FOD Justitie en mevrouw D. Lemaigre, vertegenwoordigster van de FOD Economie, Dienst Handelsreglementering, namen ook deel aan bepaalde vergaderingen van de ad hoc werkgroep, in overeenstemming met artikel 9 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004.

De werkgroep heeft een ontwerp van advies uitgewerkt dat werd aangenomen door de Raad voor de Intellectuele Eigendom in zijn plenaire vergadering van 13 juni 2017.

Tijdens de bespreking van het ontwerp van advies onderstreepte de Raad dat de richtlijn betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen geen exclusief (eigendoms)recht dat aan iedereen tegenstelbaar is, creëert, maar bepaalde gedragsnormen oplegt om de eerlijke gebruiken ten aanzien van de bedrijfsgeheimen na te leven. Het door de richtlijn georganiseerde regime is soms weliswaar geïnspireerd op de Richtlijn 2004/48 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, maar toch moet gepreciseerd worden dat de voornoemde Richtlijn 2016/943 en het voorontwerp van wet ertoe strekken de maatregelen en procedures te organiseren die de houder van bedrijfsgeheimen de mogelijkheid geven om zich te verzetten tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen en herstel van zijn schade te bekomen en niet om een exclusief verbodsrecht te creëren. De Raad onderstreepte ook dat het voorontwerp van wet, net als de richtlijn voorschrijft dat bij de toepassing van de bepalingen ervan de grondrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van meningsuiting en informatie, moeten worden nageleefd.

Advies van 13 juni 2017 (PDF, 155.21 KB)

Laatst bijgewerkt
15 januari 2018