Table of Contents

    Vergunningsplichtige werken

    Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna “het omgevingsvergunningsdecreet”) heeft de omgevingsvergunning ingevoerd. In artikel 6 van dit decreet wordt bepaald:

    Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan vergunningsplicht, uitvoeren, exploiteren, verkavelen of een vergunningsplichtige verandering eraan doen.

    Bepaalde werken (stedenbouwkundige handelingen) voor de uitrol van breedband zullen in toepassing van het decreet van 25 april 2014 vergunningsplichtig zijn. Welke handelingen precies vergunningsplichtig zijn wordt bepaald door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 (VCRO).

    Antennes

    Antennes worden meestal op een mast of pyloon geplaatst. Masten en pylonen vallen onder het begrip ‘constructie’ zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, 3° van de VCRO:

    een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds;

    In overeenstemming met artikel 4.2.1, 1°, a) van de VCRO is het optrekken of plaatsen van een constructie een stedenbouwkundige handeling waarvoor een vergunning vereist is.

    Het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (het vrijstellingsbesluit) legt, zoals de titel aangeeft, een reeks stedenbouwkundige handelingen vast waarvoor geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handeling vereist is.

    Specifiek wat betreft de oprichting van de masten en pylonen waarop  antennes kunnen worden geplaatst, is de vrijstelling voorzien door artikel 11.5,1° van het vrijstellingsbesluit relevant:

    Het op dezelfde plaats geheel of gedeeltelijk vervangen van een bestaande vergunde pyloon of mast door een nieuwe pyloon of mast die even hoog is of lager, en die er kennelijk hetzelfde uitziet als de bestaande pyloon of mast. De vervanging gebeurt op dezelfde plaats of onmiddellijk aansluitend bij de vergunde pyloon of mast, waarbij de nieuwe afstanden tot de perceelsgrenzen niet kleiner zijn dan de bestaande afstand tot de dichtstbijzijnde perceelsgrens.

    Artikel 11.5, 1° heeft dus alleen betrekking op de volledige of gedeeltelijke vervanging van een pyloon of mast. Daaruit kan worden afgeleid dat de initiële installatie van een pyloon of mast onderworpen blijft aan het verkrijgen van een vergunning.

    Artikel 12.1 van het vrijstellingsbesluit voorziet ook in een reeks vrijstellingen voor de installatie van transmissie‑ en ontvangstapparatuur voor telecommunicatie (antennes) binnen, boven of op bestaande gebouwen en/of pylonen/masten:

    “1° de plaatsing van de volledige installatie, binnen in bestaande gebouwen of constructies. In voorkomend geval wordt de zend‑ en ontvangstinstallatie geplaatst achter materialen die er hetzelfde uitzien als de bestaande materialen, maar die radiogolven doorlaten;

    2° de plaatsing van een installatie voor telecommunicatie aan de buitenkant van bestaande gebouwen of constructies, in de kleur van de gevel of de constructie, of in een neutrale, onopvallende kleur, als de installatie niet boven het gebouw of de constructie uitsteekt;

    3° de plaatsing van een installatie op een bestaand gebouw gelegen in een industriegebied in de ruime zin. De totale hoogte van de dragende structuur bedraagt maximaal 5 meter boven het gebouw. De bijbehorende technische installatie wordt ondergebracht in het gebouw, ondergronds of op het dak;

    4° de plaatsing van een installatie op een vergunde pyloon of mast op voorwaarde dat de hoogte niet toeneemt;

    5° de plaatsing van een installatie aan een bestaande vergunde hoogspanningspyloon, op voorwaarde dat de hoogte met maximaal vijf meter toeneemt en de bijbehorende technische installatie ondergronds geplaatst wordt of onmiddellijk aansluit bij de pyloon, met een maximaal volume van dertig kubieke meter per openbare telecommunicatie-operator;

    6° de plaatsing van installaties op bestaande verlichtingspalen, met inbegrip van de vervanging ervan, op openbaar domein, op voorwaarde dat de installatie niet meer dan vijf meter boven de verlichtingsarmatuur of boven de bestaande infrastructuur uitsteekt;

    7° de plaatsing van installaties en constructies ter verzekering van de stabiliteit en veiligheid bij bestaande installaties;

    8° de plaatsing op de grond van installaties met een maximale hoogte van vijf meter, en de bij deze installaties horende ondergrondse constructies waarbij het maximaal bovengronds volume per openbare telecommunicatie-operator als volgt bedraagt:

    a) drie kubieke meter als het hoogste punt van de hoogste antenne lager is dan 15 meter boven het maaiveld;

    b) vijf kubieke meter als het hoogste punt van de hoogste antenne lager is dan 25 meter boven het maaiveld;

    c) tien kubieke meter als het hoogste punt van de hoogste antenne lager is dan 35 meter boven het maaiveld;

    d) dertig kubieke meter als het hoogste punt van de hoogste antenne hoger is dan 35 meter boven het maaiveld;

    9° de plaatsing op openbaar domein van installaties met een maximaal volume van dertig kubieke meter per openbare telecommunicatie-operator en met een maximale hoogte van vijf meter.”

    Artikelen12.2 en 12.3 van het vrijstellingsbesluit voorzien ook in vrijstellingen op de  vergunningsplicht voor antennes van beperkte omvang (schotelantennes in toepassing van artikel 12.2)en antennes waarvan de hoogte op elk punt kleiner is dan de afstand tot de dakrand of tot minstens één van de in een bepaalde richting gelegen dakranden van het gebouw en de aangrenzende gebouwen (in toepassing van artikel 12.3).

    Er dient echter rekening worden gehouden met de beperkingen van het vrijstellingsbesluit. Artikel 1.2 van het vrijstellingsbesluit bepaalt dat dit besluit van toepassing is onverminderd de toepassing van andere regelgeving, in het bijzonder de regelgeving inzake beschermde monumenten, beschermde stads‑ en dorpsgezichten, cultuurhistorische landschappen en archeologische sites, waarvoor een apart systeem van toelatingen geldt, en de regelgeving inzake archeologie.

    Artikel 6.2.4, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 bepaalt zo dat het plaatsen van constructies aan of in beschermde monumenten niet toegelaten is zonder toelating van het agentschap Onroerend Erfgoed. Artikel 6.2.6, 1° van het besluit van 16 mei 2014 vereist dezelfde toelating voor het plaatsen van constructies met minimale hoogte van 4 meter binnen een straal van 30 meter rond een vergund of vergund geacht gebouw in een beschermd cultuurhistorisch landschap.

    Ondergrondse kabels

    Gezien de ruime definitie van het begrip ‘constructie’ in artikel 4.1.1, 3° van de VCRO, vallen ook kabels onder dit begrip.

    Het vrijstellingsbesluit voorziet opnieuw in uitzonderingen op de vergunningsplicht voor kabelsArtikel 10, 4° van het vrijstellingsbesluit bepaalt dat gebruikelijke ondergrondse constructies en aansluitingen op het openbaar domein, zoals installaties voor het transport of de distributie van drinkwater, afvalwater, elektriciteit, aardgas, warmte‑ en koudenetleidingen en andere nutsvoorzieningen, vrijgesteld zijn van de verplichting een omgevingsvergunning voor  stedenbouwkundige handelingen te bekomen.

    De vrijstelling geboden door artikel 10, 4° van de VCRO beperkt zich tot handelingen op het openbaar domein (of op percelen die na de stedenbouwkundige handelingen tot het openbaar domein zullen behoren). Het gaat om goederen die hetzij door een uitdrukkelijke hetzij door een impliciete beslissing van de overheid worden bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon, zoals wegen en voetpaden. Behoren eveneens tot het openbaar domein, goederen die aan een overheid toebehoren en in het kader van de openbare dienst van deze overheid noodzakelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld over gevangenissen en militaire kazernes.

    Het openbaar domein omvat openbare wegen (beheerd door een overheid) en alle bijbehorende voorzieningen zoals drempels en rioleringen. Om de grens tussen openbare wegen en privé-eigendom te bepalen, kunnen de rooilijnplannen worden geraadpleegd. In overeenstemming met artikel 1.1.2, 9°/2 van de VCRO vormt een rooilijn de scheiding tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen.

    Artikel 2.1, 1° van het vrijstellingsbesluit voorziet een vrijstelling voor de aanleg van gebruikelijke ondergrondse constructies indien ze niet voor de rooilijn of in een achteruitbouwstrook liggen. Voor kavels achter de rooilijn (op privépercelen) geldt dus eveneens een vrijstelling op de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen.

    Het is  onduidelijk of het leggen van kabels onder een achteruitbouwstrook vrijgesteld is van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Het is raadzaam om het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid hierover te raadplegen.

    Gevelkabels

    Artikel 12.4, eerste lid van het vrijstellingsbesluit voorziet in een vrijstelling van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingenspecifiek voor de installatie van communicatiekabels aan de buitenkant van bestaande gebouwen, in de kleur van de gevel of in een neutrale, onopvallende kleur, en voor zover de kabel niet boven het gebouw of de constructie uitsteekt.

    Het plaatsen van kabels  tegen de gevels van woningen wordt eveneens vrijgesteld van de verplichting een omgevingsvergunning te bekomen in toepassing van artikel 2.1, 14° van het vrijstellingsbesluit, dat gebruikelijke constructies zoals ventilatiebuizen en airco’s aan of op woningen vrijstelt. Artikel 3.1, 10° van het vrijstellingsbesluit voorziet eveneens een vrijstelling voor het plaatsen van de gebruikelijke constructies aan andere gebouwen dan woningen.

    In het kader van de plaatsing van gevelkabels tegen gevels moet rekening worden gehouden met  de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Artikel 6.2.4, 5°, a) van dit besluit bepaalt dat het plaatsen of wijzigen van bovengrondse nutsvoorzieningen en leidingen aan beschermde monumenten alleen is toegestaan met toestemming van het agentschap Onroerend Erfgoed van de Vlaamse overheid.

    Specifiek voor netwerkbeheerders heeft het agentschap Onroerend Erfgoed het mogelijk gemaakt om, in overeenstemming met de richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid  gegroepeerde aanvragen toe te staan voor alle beschermde monumenten in een bepaalde projectzone. De specifieke procedure wordt toegelicht in de “Richtlijn kabels op gevels met erfgoedwaarde: toelatingen en meldingen” van het agentschap Onroerend Erfgoed.

    Artikel 6.3.12 van het besluit van 16 mei 2014 bepaalt verder dat het plaatsen of wijzigen van bovengrondse nutsleidingen en pijpleidingen aan of in beschermde stads‑ en dorpsgezichten moet worden gemeld aan het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente.

    Kabels op palen/pylonen

    Artikel 10, 5° van het vrijstellingsbesluit voorziet een specifieke vrijstelling voor het plaatsen van de gebruikelijke aanhorigheden op het openbaar domein. Het gaat om de gebruikelijke bovengrondse constructies zoals verlichtings‑ en elektriciteitsmasten. Bijgevolg kan ook het plaatsen van palen en pylonen voor het leggen van kabels onder deze vrijstelling vallen.

    De installatie van palen en pylonen op grond die niet tot het openbaar domein behoort, met inbegrip van privégrond van particulieren, geniet geen vergelijkbare vrijstelling. Een omgevingsvergunning voorstedenbouwkundige handelinge zal in dergelijk scenario dus vereist zijn.

    Technische kasten en aansluitdozen

    Artikel 12.4, eerste lid van het vrijstellingsbesluit voorziet in een vrijstelling van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het plaatsen van aansluitdozen aan de buitenkant van bestaande gebouwen, in de kleur van de gevel of in een neutrale, onopvallende kleur, mits de aansluitdoos niet boven het gebouw of de constructie uitsteekt.

    Technische kasten die  ophet openbaar domein geplaatst worden vallen onder de vrijstelling van artikel 10, 6° van het vrijstellingsbesluit voor zover ze een maximaal volume van 30 kubieke meter en een maximale hoogte van 5 meter hebben.

    Bij het plaatsen van technische kasten op het voetpad moet rekening worden gehouden met de minimale afmetingen van de vrije doorgang van het voetpad in overeenstemming met artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1997 houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer.

    Points of Presence

    Points of Presence kunnen worden vergeleken met technische kasten van een zekere omvang (bijvoorbeeld een cabine waarin een paar mensen tegelijk kunnen werken).

    De mate waarin die Points of Presence vrijgesteld zijn van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen hangt af van de precieze afmetingen van die constructies. Volgens artikel 10, 6° van het vrijstellingsbesluit zijn technische constructies van algemeen belang vrijgesteld wanneer ze zich op het openbaar domein bevinden eneen maximaal volume van 30 kubieke meter en een maximale hoogte van 5 meter hebben.

    Voor Points of Presence die niet op het openbaar domein worden geplaatst of die groter zijn dan 30 kubieke meter of hoger dan 5 meter, is dus een omgevingsvergunning nodig.

    Procedure voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning

    De procedure voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning wordt geregeld door het decreet van betreffende de omgevingsvergunning en het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

    Bevoegde instantie

    Artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 voorziet verschillende overheden die kunnen optreden als bevoegde vergunningverlenende overheid: het college van burgemeester en schepenen, de deputatie, de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar. Het voorwerp van de aanvraag voor een omgevingsvergunning bepaalt welke overheid bevoegd is.

    Artikel 15, §1, 1° van het decreet van 25 april 2014 duidt de Vlaamse Regering en de gewestelijke omgevingsambtenaar als bevoegde overheid aan voor de Vlaamse projecten. Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 bepaalt welke projecten in aanmerking komen als Vlaamse projecten.

    Volgens de bijlage I bij het besluit van 13 februari 2015 zijn aanvragen met betrekking tot infrastructuur van openbaar karakter voor al dan niet draadloze communicatienetwerken voor radiocommunicatie, telefoonverkeer, televisie, internet of andere, die als een bovenlokaal netwerk functioneren, Vlaamse projecten.

    Voor zover pylonen, masten en points of presence dus geplaatst worden met het oog op het doen functioneren van een telecommunicatiewerk, maken de onderliggende stedenbouwkundige handelingen dus Vlaamse projecten uit.

    Krachtens artikel 10, lid 32° van het besluit van 27 november 2015 is de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd voor de vergunningsaanvragen waarvoor de Vlaamse overheid bevoegd is indien de aanvragen worden behandeld volgens de gewone vergunningsprocedure en het advies van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie (GOVC) in de betrokken aanleg niet hoeft te worden gevraagd.

    Voor de plaatsing van pylonen, masten en points of presence zal het advies van de GOVC meestal niet vereist zijn zodat de gewestelijke omgevingsambtenaar in dat de scenario de bevoegde vergunningverlenende overheid in eerste aanleg zal uitmaken. 

    Gewone of vereenvoudigde procedure

    Artikel 17 van het decreet van 25 april 2014 voorziet in twee afzonderlijke procedures voor het behandelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg: de gewone vergunningsprocedure en de vereenvoudigde vergunningsprocedure.

    Krachtens artikel 17, 4° van het decreet van 25 april 2014 wordt de vereenvoudigde procedure (onder meer) toegepast voor de types van projecten die expliciet door de Vlaamse overheid worden aangeduid. Voor projecten die enkel betrekking hebben op vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen voorziet artikel 13 van het besluit van 27 november 2015 in een algemene toepassing van de vereenvoudigde vergunningsprocedure, tenzij bepaalde projecten uitdrukkelijk van die algemene toepassing worden uitgesloten.

    De aanvraag voor het plaatsen van een zendmast met een hoogte van 20 meter zal zo niet behandeld kunnen worden volgens de vereenvoudigde vergunningsprocedure. Artikel 13, 1°, b), 1), i) en iii) van het besluit van 27 november 2015 bepaalt zo dat de vereenvoudigde vergunningsprocedure niet kan worden toegepast op handelingen betreffende:

    i) het oprichten van gebouwen of constructies met een hoogte van meer dan twintig meter; [...]

    iii) het verhogen van gebouwen of constructies die hoger zijn dan twintig meter met meer dan vijf meter;

    Het plaatsen van points of presence is in principe mogelijk volgens de vereenvoudigde vergunningsprocedure.

    Voorwaarden en termijnen

    Ongeacht de vergunningsprocedure beschikt de overheid die in eerste aanleg bevoegd is voor het behandelen van de vergunningsaanvraag over een termijn van 30 dagen om te beoordelen of het vergunningsdossier volledig is. Als het dossier als volledig wordt beschouwd, begint een nieuwe termijn te lopen, waarvan de duur afhangt van de concrete vergunningsprocedure.

    Voor de gewone vergunningsprocedure bedraagt de termijn 105 dagen wanneer het advies van de omgevingsvergunningscommissie niet vereist is en 120 dagen wanneer deze commissie wel dient tussen te komen. De termijn kan één keer worden verlengd met maximaal 60 dagen wanneer een nieuw openbaar onderzoek moet worden georganiseerd naar aanleiding van een wijziging aan de vergunningsaanvraag (artikel 32 decreet van 25 april 2014). Vanaf het moment dat de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard, geldt dus een maximale termijn van 6 maanden.

    Voor de vereenvoudigde vergunningsprocedure bedraagt de termijn 60 dagen. Een verlenging van de termijn is niet mogelijk (artikel 46 decreet van 25 april 2014).

    Er dient te worden benadrukt dat indien de vergunningverlenende overheid geen beslissing neemt binnen de bovenvermelde termijnen, de aanvraag voor een omgevingsvergunning geacht wordt geweigerd te zijn. Bijgevolg mag de aanvrager er niet van uitgaan dat de vergunningverlenende overheid zijn project heeft aanvaard als hij niets vernomen heeft binnen de aangegeven termijnen. 

    Modaliteiten van de aanvraag

    Artikel 37 van het decreet van 25 april 2014 bepaalt dat een vergunningsaanvraag per beveiligde zending wordt ingediend bij de bevoegde overheid.  Artikel 14/1 van dit decreet bepaalt echter dat bepaalde aanvragen digitaal moeten worden ingediend, waaronder Vlaamse projecten zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een mast, pyloon of point of presence moeten dus digitaal worden ingediend.

    De Vlaamse overheid heeft een online loket opgericht voor het digitaal aanvragen van omgevingsvergunningen, genaamd het ‘omgevingsloket’.

    Om de aanvraag voor te bereiden, kunnen aanvragers de aanvraagformulieren op de website van de Vlaamse overheid raadplegen, alsook de bijlagen die ze aan hun aanvraag moeten toevoegen.

    Prijs

    Artikel 12, §, 1° van het besluit van 27 november 2015 voorziet in de betaling van een dossiertaks voor aanvragen die in eerste aanleg aan de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar moeten worden voorgelegd. Zoals reeds besproken, is de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd voor het vergunnen van projecten met betrekking tot infrastructuur van openbare aard voor al dan niet draadloze communicatienetwerken voor radiocommunicatie, telefoonverkeer, televisie, internet of andere, die als een bovenlokaal netwerk functioneren.

    Voor het plaatsen van masten, pylonen en points of presence zal bijgevolg een dossiertaks verschuldigd zijn. Krachtens artikel 12, §2, 1° van het decreet van 25 april 2014 bedraagt dit bedrag 500 euro indien de gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd. Wanneer de vereenvoudigde vergunningsprocedure wordt gevolgd, bedraagt het tarief 100 euro.

    Laatst bijgewerkt
    8 oktober 2024