Table of Contents

    Om een internationale vergelijking mogelijk te maken, zijn er vergelijkbare gegevens nodig voor de verschillende landen. Elk land hanteert immers zijn eigen systeem voor de aansluiting van zelfstandigen. Zo kunnen twee werknemers in een a priori gelijkaardige administratieve situatie al dan niet als zelfstandigen worden beschouwd, naargelang de reglementeringen in hun land van verblijf. Om dat probleem te voorkomen, voert Eurostat jaarlijks de enquête naar de arbeidskrachten (EAK) uit. Dat sociaal-economische onderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd bij gezinnen in elke lidstaat van de Europese Unie met telkens een gelijkaardige methodologie. Alleen zelfstandigen in hoofdberoep kunnen daarbij het statuut van zelfstandige hebben: zelfstandigen in bijberoep worden beschouwd als werknemers en de actieven na de pensionleeftijd als inactieven.

    Die methode leidt echter tot verschillen tussen enerzijds de nationale administratieve statistieken, die gedetailleerder zijn, maar geen internationale vergelijkingen mogelijk maken, en anderzijds de statistieken van de Europese enquête naar de arbeidskrachtenenquête (EAK), die zo’n vergelijking mogelijk maken.

    Verdeling van de zelfstandigen volgens geslacht

    Volgens de Europese enquête over de arbeidskrachten (EAK-EU) waren er in 2021 651.800 zelfstandige ondernemers tussen 15 en 74 jaar actief in hoofdberoep in België. Dat is een daling van -1,3 % ten opzichte van het jaar ervoor. 437.800 van hen zijn mannen (67,2 % van het totaal, -1,2 %) en 214.000 vrouwen (32,8 % van het totaal, -1,7 %).

    Italië, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Polen zijn de landen met het grootste aantal zelfstandigen (elk meer dan 3 miljoen). België bevindt zich met zijn elfde plaats in een middenpositie tussen de grote en kleine landen. Van de buurlanden heeft België (met Duitsland) het hoogste percentage mannelijke zelfstandigen (67,2 %), maar blijft onder het Europese gemiddelde (67,6 %).

    Aantal zelfstandigen per 1.000 inwoners

    Met 76,4 zelfstandigen per 1.000 inwoners tussen 15 en 74 jaar in België bevindt ons land zich op de veertiende plaats in de EU27 in 2021. De dichtheid van het aantal zelfstandigen is hoger in Nederland, waar er 107,4 zelfstandigen per 1.000 inwoners zijn. Die ratio ligt daarentegen lager in Frankrijk, Luxemburg en Duitsland, met respectievelijk 70,4, 55,3 en 54,9 zelfstandigen per 1.000 inwoners. Het gemiddelde van de EU27 bedraagt 81,2 per 1.000 inwoners.

    Uit een genderanalyse blijkt dat er in België bijna twee keer zoveel mannelijke zelfstandigen als vrouwelijke zelfstandigen zijn ten opzichte van de bevolking van hetzelfde geslacht. Zo telt ons land 102,8 mannelijke zelfstandigen per 1.000 mannen tussen 15 en 74 jaar, maar slechts 50,1 vrouwelijke zelfstandigen per 1.000 vrouwen tussen 15 en 74 jaar. Het aandeel vrouwen dat een zelfstandige activiteit uitoefent ten opzichte van de vrouwelijke bevolking is groter in Nederland, namelijk 73,9 vrouwelijke zelfstandigen per 1.000 vrouwen. In Luxemburg en in Duitsland ligt dat dan weer lager. Die landen tellen respectievelijk 45,5 en 36,2 per 1.000 inwoners.

    Aandeel van de zelfstandigen in de actieve bevolking

    Uit dezelfde analyse blijkt, wat de werkende actieve bevolking betreft, dat België in Europa op de tiende plaats staat. Zelfstandige ondernemers vertegenwoordigen 12,6 % van de actieve werkende bevolking in ons land, wat bijna evenveel is als het EU-gemiddelde, dat 12,7 % bedraagt.

    Een opsplitsing per geslacht laat opnieuw de kloof zien tussen de participatiegraad van mannen en vrouwen in de Belgische ondernemerswereld. Uit de statistieken van de Europese enquête naar de arbeidskrachten blijkt dat 15,9 % van de werkende mannen als zelfstandige werkzaam is, tegenover 8,8 % van de werkende vrouwen. Van de buurlanden telt enkel Nederland meer zelfstandige vrouwen in hun actieve bevolking (10,6 %).

    Aandeel van de zelfstandigen met werknemers

    In België stelt 26 % van de zelfstandigen werknemers tewerk. Dat is iets minder dan het gemiddelde van de EU27 (31,6 %). Duitsland en Frankrijk zijn de twee buurlanden waar zelfstandigen het vaakst werkgever zijn: respectievelijk 49,2 % en 40,4 % van de zelfstandigen zijn ook werkgevers. Ook Luxemburg doet het beter dan België op dat vlak: 39,2 % van de zelfstandige ondernemers is werkgever. In Nederland stelt daarentegen minder dan een kwart van de zelfstandigen werknemers tewerk.

    Mannen blijken meer geneigd om werknemers in dienst te nemen dan vrouwen: in België is 27,8 % van de mannelijke zelfstandigen werkgever, tegenover slechts 22,2 % van de vrouwelijke zelfstandigen. Die kloof is ook merkbaar op Europees niveau (34,1 % mannen versus 26,1 % vrouwen) en in onze buurlanden.

    Opleidingsniveau

    De meerderheid van de zelfstandigen in België heeft een hoger postsecundair opleidingsniveau bereikt (56,9 %). België heeft zelfs het hoogste aandeel hoogopgeleide zelfstandigen in de EU27. De overige eerste zes plaatsen zijn bezet door onze buurlanden. Alleen Oostenrijk, op plaats drie, mengt zich in die groep. Aan de andere kant van de klassering staat Roemenië met slechts 11,1 % van de zelfstandigen met een hoger postsecundair opleidingsniveau op de 27e plaats.

    Zelfstandigen met een diploma van lager secundair onderwijs zijn in België goed voor 9,6 %, en staat daarmee pas op een 18e plaats, ver verwijderd van landen als Tsjechië (2,8 %) en Hongarije (4,2 %). Vijf landen hebben echter percentages van meer dan 25 %: Griekenland (28,1 %), Italië (30,5 %), Roemenië (34,7 %), Spanje (35,3 %), en Portugal (48 %).

    Ten slotte neemt het aandeel mannen af naarmate het opleidingsniveau stijgt: 81,1 % voor zelfstandigen met lager secundair onderwijs of minder (75,3 % voor EU27) en 60,9 % voor zelfstandigen met een hogere postsecundaire opleiding (60,3 % voor EU27).

    Opleidingsniveau van zelfstandigen met werknemers

    De opleidingsniveau van zelfstandigen met werknemers wijkt enigszins af van die van zelfstandigen. In België is het aandeel zelfstandigen met werknemers die een hoger postsecundair opleidingsniveau hebben bereikt lager (51,2 % werkgevers tegen 56,9 % voor alle zelfstandigen). Van de buurlanden bevindt alleen Luxemburg zich in een gelijke situatie: 47,6 % van de werkgevers heeft een hoger postsecundair opleidingsniveau tegenover 54,5 % voor alle zelfstandigen. België staat echter op de vierde plaats van de EU-lidstaten die het hoogste percentage zelfstandigen-werkgevers hebben met een hoger postsecundair opleidingsniveau.

    Ten slotte daalt, als bij alle zelfstandigen, het aandeel mannen met de stijging van het onderwijsniveau: 75,9 % voor zelfstandigen-werkgevers met een lager of lager secundair opleidingsniveau (81,1 % voor alle zelfstandigen) en 67,1 % voor zelfstandigen-werkgevers met een hoger postsecundair opleidingsniveau (60,9 % voor alle zelfstandigen).

    Sectorale verdeling

    In België is 59,2 % van de zelfstandigen actief in slechts vier sectoren:

    • gespecialiseerde wetenschappelijke en technische activiteiten (16,3 %),
    • handel (14,9 %),
    • menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening (14,6 %),
    • bouwnijverheid (13,4 %)

    Afgezien van de bouwnijverheid waar België op de negende plaats staat (13,4 % in vergelijking met 4,9 % in Luxemburg en 8,5 % in Nederland) hebben onze buurlanden een vergelijkbaar profiel als het onze: een hoger percentage dan het Europese gemiddelde voor vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten (17,2 % in Luxemburg en 19,6 % in Nederland) en voor menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening (12,8 % in Frankrijk en 16,8 % in Luxemburg) en een lager percentage dan het Europese gemiddelde in de handel (9,7 % in Luxemburg en 10,9 % in Nederland).

    In de meeste sectoren is het aandeel zelfstandige mannen hoger dan dat van vrouwen in België, vooral in de bouwsector (92,2 %). In de menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening  daarentegen is het tegenovergestelde waar met 39 % van mannen. In vergelijking met de andere Europese landen ligt België voor de meeste sectoren vrij dicht bij het Europese gemiddelde.

    Sectorale verdeling van zelfstandigen met werknemers

    De sectorale verdeling van zelfstandigen met werknemers wijkt enigszins af van die van zelfstandigen. In België is het aandeel zelfstandigen met werknemers aanzienlijk lager in de sectoren gespecialiseerde wetenschappelijke en technische activiteiten (10,2 % werkgevers tegen 16,3 % voor alle zelfstandigen) en menselijke gezondheid en maatschappelijke dienstverlening (6,8 % tegen 14,6 % voor alle zelfstandigen). In de horeca daarentegen is het aandeel zelfstandigen met werknemers hoger (10,7 %) dan dat van alle zelfstandigen (6,2 %).

    Dezelfde verschillen komen min of meer voor in de andere EU27-landen. In de landbouw lijkt het verschil in sommige landen echter groter te zijn. In Roemenië is het aandeel zelfstandigen in de landbouw bijvoorbeeld 51,3 %, terwijl zelfstandigen met werknemers uit de landbouw slechts 6,3 % uitmaken van alle zelfstandigen met werknemers.

    Het aandeel mannen is in België duidelijk lager voor zelfstandigen met werknemers in de bouwsector (86 % in plaats van 92,2 % voor de gehele sector), maar hoger in de sector van de gespecialiseerde wetenschappelijke en technische activiteiten (79,2 % in plaats van 62,9 % voor de gehele sector). Dezelfde verschillen komen ook min of meer voor in de andere EU27-landen.

    Oprichters van start-ups

    Volgens de EU Startup Monitor was minder dan één op de tien oprichters van een start-up in België in 2018 een vrouw (9,9 %). Alleen de Tsjechische Republiek en Portugal tellen nog minder vrouwen onder de oprichters van start-ups. In Nederland en Frankrijk was een op de vijf oprichters van een start-up een vrouw (respectievelijk 22,2 % en 20 %). In Duitsland was 15,1 % van de oprichters van een start-up een vrouw, waarmee het land zich iets onder het Europese gemiddelde (van de 18 landen die in het verslag worden genoemd) situeert (15,6 %).

    De meeste oprichters van start-ups hebben een hoog opleidingsniveau: 72,9 % van hen heeft een master- of doctoraatsdiploma of een gelijkwaardig diploma in België. In Frankrijk is het niveau met 92,9 % zelfs nog hoger. Nederland en Duitsland hebben daarentegen een iets lager ratio hooggeschoolden dan België, met respectievelijk 68,1 % en 67,8 % oprichters van start-ups met een master-, doctoraats- of gelijkwaardig diploma.

    Laatst bijgewerkt
    10 augustus 2022