Table of Contents

    Om een internationale vergelijking mogelijk te maken, zijn er vergelijkbare gegevens nodig voor de verschillende landen. Elk land hanteert immers zijn eigen systeem voor de aansluiting van zelfstandigen. Zo kunnen twee werknemers in een a priori gelijkaardige administratieve situatie al dan niet als zelfstandigen worden beschouwd, naargelang de reglementeringen die in hun land van verblijf gelden. Om dat probleem te voorkomen, voert Eurostat jaarlijks de enquête naar de arbeidskrachten (EAK) uit. Dat sociaal-economische onderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd bij gezinnen in elke lidstaat van de Europese Unie met telkens een gelijkaardige methodologie. Alleen zelfstandigen in hoofdberoep kunnen daarbij het statuut van zelfstandige hebben: zelfstandigen in bijberoep worden beschouwd als werknemers en de actieven na de pensionleeftijd als inactieven.

    Die methode leidt echter tot verschillen tussen enerzijds de nationale administratieve statistieken, die gedetailleerder zijn, maar geen internationale vergelijkingen mogelijk maken, en anderzijds de statistieken van de Europese enquête naar de arbeidskrachtenenquête (EAK), die zo’n vergelijking mogelijk maken.

    Verdeling van de zelfstandigen volgens geslacht

    Volgens de Europese enquête over de arbeidskrachten (EAK-EU) waren er in 2020 660.700 zelfstandige ondernemers tussen 15 en 74 jaar actief in hoofdberoep in België. Dat is een toename van +2,9 % ten opzichte van het jaar ervoor. 443.000 van hen zijn mannen (67,1 % van het totaal, +3,8 %) en 217.700 vrouwen (32,9 % van het totaal, +1,1 %).

    Italië, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Polen zijn de landen met het grootste aantal zelfstandigen (elk meer dan 3 miljoen). België bevindt zich met zijn elfde plaats in een middenpositie tussen de grote en kleine landen. Van de buurlanden heeft België het hoogste percentage mannelijke zelfstandigen (67,1 %), maar blijft onder het Europese gemiddelde (67,5 %).

    Aantal zelfstandigen per 1.000 inwoners

    Met 77,8 zelfstandigen per 1.000 inwoners tussen 15 en 74 jaar in België bevindt ons land zich op de vijftiende plaats binnen de EU27 in 2020. De dichtheid van het aantal zelfstandigen is hoger in Nederland, waar er 114,3 zelfstandigen per 1.000 inwoners zijn. Die ratio ligt daarentegen lager in Frankrijk, Duitsland en Luxemburg, met respectievelijk 67,7 , 55,7 en 49,2 zelfstandigen per 1.000 inwoners. Het gemiddelde van de EU27 bedraagt 83.

    Uit een genderanalyse blijkt dat er in België bijna twee keer zoveel mannelijke zelfstandigen als vrouwelijke zelfstandigen zijn ten opzichte van de bevolking van hetzelfde geslacht. Zo telt ons land 104,5 mannelijke zelfstandigen per 1.000 mannen tussen 15 en 74 jaar, maar slechts 51,1 vrouwelijke zelfstandigen per 1.000 vrouwen tussen 15 en 74 jaar. Het aandeel vrouwen dat een zelfstandige activiteit uitoefent ten opzichte van de vrouwelijke bevolking is groter in Nederland, namelijk 84 vrouwelijke zelfstandigen per 1.000 vrouwen. In Frankrijk en in Duitsland ligt dat dan weer lager. Die landen tellen respectievelijk 47 en 37,3 vrouwelijke zelfstandigen per 1.000 vrouwen.

    Aandeel van de zelfstandigen in de actieve bevolking

    Uit dezelfde analyse blijkt, wat de werkende actieve bevolking betreft, dat België binnen Europa op de elfde plaats staat. Zelfstandige ondernemers vertegenwoordigen 13 % van de actieve werkende bevolking in ons land, wat evenveel is als het EU-gemiddelde, dat 13 % bedraagt.

    Een opsplitsing per geslacht laat opnieuw de kloof zien tussen de participatiegraad van mannen en vrouwen in de Belgische ondernemerswereld. Uit de statistieken van de Europese enquête naar de arbeidskrachten blijkt dat 16,4 % van de werkende mannen als zelfstandige werkzaam is, tegenover 9,2 % van de werkende vrouwen. Van de buurlanden telt enkel Nederland meer zelfstandige vrouwen in hun actieve bevolking (12,6 %).

    Aandeel van de zelfstandigen met werknemers

    In België stelt 27,6 % van de zelfstandigen werknemers tewerk. Dat is iets minder dan het gemiddelde van de EU27 (29,5 %). Duitsland en Luxemburg zijn de twee buurlanden waar zelfstandigen het vaakst werkgever zijn: respectievelijk 45,3 % en 41,7 % van de zelfstandigen zijn ook werkgevers. Ook Frankrijk doet het beter dan België op dat vlak: 34,8 % van de zelfstandige ondernemers is werkgever. In Nederland stelt daarentegen minder dan een kwart van de zelfstandigen werknemers tewerk.

    Mannen blijken meer geneigd om werknemers in dienst te nemen dan vrouwen: in België is 30,3 % van de mannelijke zelfstandigen werkgever, tegenover slechts 22 % van de vrouwelijke zelfstandigen. Die kloof is ook merkbaar op Europees niveau (32,1 % mannen versus 24 % vrouwen) en in onze buurlanden.

    Verdeling per sector

    In België is 58,5 % van de zelfstandigen actief in slechts vier sectoren :

    •  gespecialiseerde wetenschappelijke en technische activiteiten (16 %)
    • handel (14,7 %)
    • bouwnijverheid (14,6 %)
    • menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening (13,2 %)

    Afgezien van de bouwnijverheid waar België op de zesde plaats staat (14,6 % in vergelijking met 9 % in Duitsland en 9,4 % in Nederland) hebben onze buurlanden een vergelijkbaar profiel als het onze, met een hoger percentage dan het Europese gemiddelde voor vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten (17,6 % in Nederland en 19,6 % in Luxemburg) en voor menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening (13,4 % in Frankrijk en 11,8 % in Duitsland) en een lager percentage dan het Europese gemiddelde in de handel (10,7 % in Nederland en 11,9 % in Duitsland).

    In de meeste sectoren is de ratio man/vrouw van de zelfstandigen in het voordeel van de mannen in België, vooral in de bouwsector (1.718,9 mannen per 100 vrouwen in 2020). In de menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening  daarentegen is het tegenovergestelde waar: slechts 61,5 mannen per 100 vrouwen. In vergelijking met de andere Europese landen ligt België onder het Europees gemiddelde voor de meeste sectoren, namelijk in de bouwnijverheid (2.542,1 op Europees niveau in vergelijking met 1.718,9 voor België) en in de vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten (213,8 op Europees niveau in vergelijking met 175,8 voor België).

    Oprichters van start-ups

    Volgens de EU Startup Monitor was minder dan één op de tien oprichters van een start-up in België in 2018 een vrouw (9,9 %). Alleen de Tsjechische Republiek en Portugal tellen nog minder vrouwen onder de oprichters van start-ups. In Nederland en Frankrijk was een op de vijf oprichters van een start-up een vrouw (respectievelijk 22,2 % en 20 %). In Duitsland was 15,1 % van de oprichters van een start-up een vrouw, waarmee het land zich iets onder het Europese gemiddelde (van de 18 landen die in het verslag worden genoemd) situeert (15,6 %).

    De meeste oprichters van start-ups hebben een hoog opleidingsniveau: 72,9 % van hen heeft een master- of doctoraatsdiploma of een gelijkwaardig diploma in België. In Frankrijk is het niveau met 92,9 % zelfs nog hoger. Nederland en Duitsland hebben daarentegen een iets lager ratio hooggeschoolden dan België, met respectievelijk 68,1 % en 67,8 % oprichters van start-ups met een master-, doctoraats- of gelijkwaardig diploma.

    Laatst bijgewerkt
    18 oktober 2021