Table of Contents

    De zelfstandigen die een activiteit opstarten (of starters) worden ingeschreven als zelfstandigen vanaf het ogenblik dat ze de wettelijke verplichtingen van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ) naleven, meer bepaald zodra ze zich aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds en een ziekenfonds. De zelfstandigen die een activiteit stopzetten, verliezen het statuut van zelfstandige vanaf het moment van de stopzetting.

    De bedrijfstak verwijst naar de belangrijkste groepen van de nomenclatuur van de beroepen, eigen aan het sociale statuut van de zelfstandigen bij het RSVZ. Er zijn zeven bedrijfstakken: landbouw, visserij, nijverheid en ambachten (productie), handel, vrije (en intellectuele beroepen), diensten en diversen.

    Statistieken over zelfstandigen (RSVZ)

    De gegevens die op deze pagina zijn vermeld, zijn afkomstig van de statistieken over zelfstandigen en hun helpers die elk jaar worden gepubliceerd door het RSVZ.

    Verdeling van zelfstandigen en helpers

    Van de 1.230.419 zelfstandigen en helpers die in het 4e kwartaal 2021 in België zijn aangesloten bij sociale verzekeringsfondsen, zijn er 786.772 (63,9 %) zelfstandigen in hoofdberoep, 313.530 (25,5 %) zelfstandigen in bijberoep en 130.117 (10,6 %) actief na de pensioenleeftijd.

    De meeste zelfstandigen en helpers behoren tot de leeftijdsgroep van 35 tot 49 jaar (440.457; 35,8 % van het totaal) en van 50 tot 64 jaar (395.461; 32,1 % van het totaal). De meesten van hen zijn mannen (795.291; 64,6 % van het totaal). Ze werken hoofdzakelijk in twee bedrijfstakken: de handel (339.468; 27,6 % van het totaal) en de vrije beroepen (393.878; 32 % van het totaal).

    Het aantal zelfstandigen en helpers stijgt met 4 % tussen 2020 en 2021. Over de periode 2011-2021 zijn de gemiddelde jaarlijkse groeicijfers het sterkst gestegen bij de zelfstandigen die actief zijn na de pensioenleeftijd (+5,8 %) en bij de zelfstandigen in bijberoep (+3,6 %). Bijgevolg heeft de groep zelfstandigen ouder dan 65 jaar over dezelfde periode ook een hoger gemiddeld jaarlijks groeipercentage (+5,3 %) dan de andere leeftijdscategorieën, in het bijzonder in vergelijking tot de zelfstandigen tussen 35 en 49 jaar (+0,9 %). De toename van het aantal zelfstandigen jonger dan 35 jaar (+3,3 %) en van het aantal zelfstandigen tussen 50 en 64 jaar (+2,9 %) is aanzienlijk hoger door de aantrekkelijkheid van het statuut van zelfstandige in bijberoep.

    Tijdens de laatste tien jaar is het aantal vrouwelijke zelfstandigen iets sneller gestegen (+2,9 %) dan het aantal mannelijke zelfstandigen (+2,2 %). Een trend die zich ook tussen 2020 en 2021 heeft voortgezet met een respectievelijke stijging van het aantal vrouwelijke en mannelijke zelfstandigen van 4,7 % en 3,7 %. 

    Tot slot kenden vier bedrijfstakken een stijging in de periode 2011-2021 (+4,6 % voor de vrije beroepen, +3,4 % voor de nijverheid, +2,4 % voor de landbouw en +1 % voor de diensten) en twee andere een stagnatie of een daling in diezelfde periode (-2 % voor de visserij en 0 % voor de handel). De bedrijfstak "Diversen", die onbekende beroepen en beroepen die niet onder een andere beroepscode vallen groepeert, is niet in de evolutiegrafieken opgenomen vanwege het lage aantal en de verscheidenheid binnen de categorie.

    De verdeling per leeftijd van de zelfstandigen volgens hun statuut toont aan dat bijna alle zelfstandigen van 65 jaar en ouder “actieven na de pensioenleeftijd” zijn (116.855; 89,8 % van de actieven na pensioen). Voor beide andere statuten (als hoofdberoep en als bijberoep) is de verhouding tussen de leeftijdsgroepen min of meer gelijkwaardig (25 % voor de groep jonger dan 35 jaar, 40 % voor de groep van 35 tot 49 jaar en 35 % voor de groep tussen 50 en 64 jaar). Vrouwelijke zelfstandigen zijn in vergelijking dan weer vaker aan de slag in bijberoep (135.132; 43,1 % van die categorie) dan in hoofdberoep (267.183; 34 % van die categorie) of als actieven na pensioen (32.813; 25,2 % van die categorie).

    Zelfstandigen en helpers die een activiteit opstarten (127.976 in 2021), doen dat hoofdzakelijk in hoofdberoep (72.299; 56,5 % van het totaal in 2021) en in bijberoep (52.859; 41,3 % van het totaal). De meeste startende zelfstandigen zijn jonger dan 35 jaar (67.444; 52,7 % van het totaal), zijn mannen (78.860; 61,6 %) en werken in de nijverheid (39.011; 30,5 %), de handel (29.480; 23 %) en in de vrije beroepen (39.448; 30,8 %).

    Het aantal nieuwe zelfstandigen en helpers tussen 2020 en 2021 is in stijgende lijn (+9,8 %), na de sterke daling tussen 2019 en 2020 (-7,8 %). Die stijging  betreft alle categorieën zelfstandigen, voornamelijk voor de actieven in bijberoep (+13,6 %). De verhoging van het aantal nieuwe zelfstandigen betreft vooral vrouwen (+12,2 %), mensen van 35 tot 49 jaar (+11,3 %) en bijna alle bedrijfstakken, met name de nijverheid (+9,9 %) en de vrije beroepen (+12,2 %). Enkel de landbouw en visserij hebben een negatieve groei tussen 2020 en 2021 (respectievelijk -34,7 % en -37 %). Toch blijven de gemiddelde jaarlijkse groeicijfers in de periode 2011-2021 hoger de landbouw (+5,2 %), de nijverheid (+5,4 %) en de vrije beroepen (+5,1 %) ten opzichte van de andere bedrijfstakken.

    Zelfstandigen en helpers die hun activiteit stopzetten (52.369 in 2021) doen dat het vaakst in hoofdberoep (29.935; 57,2 % van het totaal). Net als de startende zelfstandigen zijn de meeste al voormalige zelfstandigen jonger dan 35 jaar (19.090; 36,5 % van het totaal), mannen (32.580; 62,2 %) en werken ze in de nijverheid (15.404; 29,4 %), de handel (15.670; 29,9 %) of oefenen ze een vrij beroep uit (13.335; 25,5 %).

    Het aantal zelfstandigen en helpers die stoppen tussen 2020 en 2021 is in stijgende lijn (+8 %), na de sterke daling tussen 2019 en 2020 (-19,1 %), vooral de zelfstandigen die hun activiteit in hoofdbezigheid uitoefenen (+9,6 %). In de periode 2011-2021 zijn de gemiddelde jaarlijkse groeicijfers ook positief, met name voor zelfstandigen met een nevenbezigheid activiteit (+4,4 %) en zelfstandigen met een activiteit na pensioenleeftijd (+6,2 %). De verhoging van het aantal zelfstandigen tussen 2020 en 2021 die stoppen betreft vooral vrouwen (+9,4 %), mensen van minder dan 35 jaar (+15,3 %) en bijna alle bedrijfstakken, maar vooral in de nijverheid (+10,2 %) en in de handel (+7,3 %). 

    De evolutie van het aantal zelfstandigen en helpers die stoppen tussen 2020 en 2021 moet worden geïnterpreteerd in het licht van het einde of de verkorting van steunmaatregelen in 2021 die in het kader van de gezondheidscrisis werden genomen, zoals het moratorium op faillissementen of het overbruggingsrecht. 

    Laatst bijgewerkt
    9 augustus 2022