Table of Contents

    Deze pagina geeft weer hoe Belgische kleine of middelgrote ondernemingen het in 2024 doen op het vlak van de toegang tot financiering in vergelijking met de buurlanden (Frankrijk, Duitsland en Nederland).

    Om een representatief beeld van het volledige jaar te verkrijgen, wordt het jaargemiddelde berekend. De jaargemiddelden op deze pagina worden berekend als het gemiddelde van de resultaten van de twee enquêtes die in dat jaar zijn uitgevoerd.

    Voornaamste obstakels van de ontwikkeling van kmo’s

    De krapte op de arbeidsmarkt blijft in 2024 het grootste probleem volgens kmo’s, zowel in België (33,5 %) als in onze buurlanden. Ook in Nederland is dit een groot obstakel: 32,6 %. 

    Toegang tot financiering is voor slechts 3,4 % van de Belgische kmo's de belangrijkste belemmering voor de ontwikkeling van hun onderneming. Dat geldt ook voor onze buurlanden: Duitsland (5,0 %), Frankrijk (7,2 %) en Nederland (6,3%).  

    Die problematiek moet echter worden genuanceerd. Een andere maatstaf is de score die ondernemingen geven aan een obstakel, waar 1 staat voor niet belangrijk en 10 staat voor heel belangrijk. Met een gemiddelde score van 3,9 op 10 wordt de toegang tot financiering als een minder belangrijk probleem beschouwd door de Belgische kmo’s.

    De score die kmo’s in onze buurlanden geven aan het probleem van financiering is evenzeer laag of zelfs lager. De toegang tot financiering is dus zowel bij Belgische als buitenlandse kmo’s een obstakel van minder groot belang.

    Factoren die toegang tot financiering beïnvloeden

    De grafiek “Evolutie van factoren die financiering beïnvloeden” toont de manier waarop kmo’s de voorwaarden voor toegang tot financiering ervaren. De grafiek geeft het verschil in procentpunt weer tussen het aantal kmo’s dat een verbetering waarneemt en het aantal kmo’s dat een achteruitgang ziet in de voorwaarden voor toegang tot financiering in de laatste zes maanden. Die berekening is uitgevoerd voor drie variabelen:

    1. de toegang van de onderneming aan publieke hulp,
    2. de bereidheid van banken om kredieten te verlenen,
    3. de bereidheid van investeerders om ondernemingen te steunen.

    In België steeg de perceptie over de bereidheid van banken om te lenen (+3,2 procentpunt), terwijl in Frankrijk (-5,2 procentpunt) en Duitsland (-2,6 procentpunt) dat niet het geval was.

    Ook bij investeerders is er een gemengd beeld. Investeerders lijken meer bereid te zijn te investeren in Nederland (+5,0 procentpunt) en België (+2,0 procentpunt), maar in Duitsland is er dan weer een daling (-1,8 procentpunt) te zien.

    De toegang tot publieke financiële hulp volgt daarentegen wel dezelfde trend in de vier landen, zij het niet in de goede richting: kmo’s uit België en de buurlanden zien de toegang tot de publieke hulp, zoals garanties, (opnieuw) sterk dalen.  

    Financieringsvormen

    Dezelfde financieringsvormen domineren het klassement als er wordt gekeken naar relevantie en gebruik: de traditionele banklening en de kredietlijn zijn voor kmo’s uit België en de buurlanden belangrijke financieringsinstrumenten. De kredietlijn is daarbij de meest gebruikte financieringsvorm, zowel bij Belgische kmo’s als kmo’s uit Nederland en Duitsland.

    Toch zijn er ook enkele opvallende verschillen. Een kredietlijn is in Frankrijk (16,8 %) duidelijk minder gebruikt dan in België (31,8 %) en de andere buurlanden.  

    In Nederland zijn kapitaalinvesteringen voor bijna een kwart van de ondernemingen (23,4 %) relevant, terwijl dat in België slechts 13,3 % is. Toch leidt dat niet tot een hogere graad van gebruik: ook in Nederland heeft slechts 1,2 % van de ondernemingen gebruik gemaakt van kapitaalinvesteringen.  

    Financieringsaanvraag

    In België heeft een kwart (25,3 %) van de kmo’s waarvoor een banklening relevant is, er ook een aangevraagd in het afgelopen jaar. Dat is hoger dan in onze buurlanden en meer dan het dubbele dan Duitsland (13,0 %). De angst voor een weigering bij een banklening is bij Belgische kmo’s ook relatief laag (4,0 %), waar dat in bijvoorbeeld Duitsland 6,3 % en Nederland zelfs 8,1 % is.

    Wat betreft de kredietlijn zien we dat Nederlandse kmo’s het afgelopen jaar weinig kredietlijnen hebben afgesloten of vernieuwd, voornamelijk omdat ze al over voldoende middelen beschikken (61,9 %). Ook voor bankleningen is dat de grootste reden waarom Nederlandse ondernemingen geen leningen hebben aangevraagd (58,5 %).

    Uitkomst financieringsaanvraag

    Het grootste deel van de aanvragen resulteert in een toekenning van de financiering van het gevraagde bedrag. In België ligt dat percentage wel hoger dan in onze buurlanden, zowel wat bankleningen als kredietlijnen betreft.

    Wat het weigeringspercentage bij bankleningen betreft, ligt dat bij Belgische aanvragen hoger (5,6 %) dan in Duitsland (3,8 %), maar wel lager dan in Frankrijk (13,2 %) en Nederland (8,7 %). Bij kredietlijnen is de weigeringsgraad ook enkel lager bij Duitse kmo’s (2,9 %).

    Bestemming financiering

    Het verkregen externe kapitaal wordt voornamelijk gebruikt voor:

    • investeringen in vaste activa,
    • de opbouw van voorraden en werkkapitaal.

    Dat is ook het geval in onze buurlanden. Duitse (30,1 %), en in mindere mate Nederlandse (16,3 %) kmo’s gebruiken het geld ook voor de aanwerving en opleiding van werknemers. In Frankrijk en België is dat een minder aangewende bestemming van het kapitaal, met minder dan een op de tien ondernemingen (10,9 %) die het daarvoor gebruiken, ondanks dat ze dat wel als een groot probleem ervaren.

    Drie op de tien Duitse kmo’s (30,1 %) gebruiken extern kapitaal voor de ontwikkeling en lancering van nieuwe producten of diensten, terwijl Belgische en Franse kmo’s externe financiering minder gebruiken voor dat doel: respectievelijk 11,4 % en 9,5 %.   

    Gewenst type financiering

    Een meerderheid van de kmo’s verkiest een banklening om haar groeiambities te financieren. Toch zijn er grote verschillen: Franse kmo’s zouden in 75,7 % van de gevallen kiezen voor een banklening, terwijl dat in Nederland “maar” 58,0 % is. Ook in België wordt een banklening gezien als het favoriete financieringsinstrument (64,0 %).

     Inbreng van kapitaal lijkt niet beschouwd te worden als een financieringsbron naar voorkeur van de Belgische kleine ondernemingen (6,4 %). Die financieringsbron heeft ook weinig succes in de buurlanden.

    Hindernissen externe financiering

    Twee op de vijf ondernemingen in België ondervindt geen hindernissen in hun zoektocht naar financiering. Een gelijkaardig cijfer zien we bij de Duitse (41,4 %) kmo’s. Ook daar zijn er dus een aanzienlijk aantal kmo’s die geen financieringshindernissen ervaren. Franse kmo’s ondervinden daarentegen het vaakst drempels: een op de drie kmo’s ondervindt geen drempels, in 2021, voor de rentestijgingen, was dit nog 51,3 %.

    In het algemeen geeft een significant aantal van de kmo’s in deze landen aan dat ze geen financiële obstakels tegenkomen. Toch is in België en de buurlanden is een te hoge interestvoet de meest genoemde barrière om over te gaan tot een financieringsaanvraag, met name voor de Franse (41,1 %) en Belgische (42,2 %) kmo’s.

    Het is belangrijk te vermelden dat er een verband is tussen de grootte van de onderneming en de waargenomen belemmeringen. Grotere ondernemingen ondervinden minder vaak obstakels dan kleinere ondernemingen.

    Vertrouwen om tot het gewenst resultaat te komen

    Ongeveer driekwart van de Belgische kmo’s (75,2 %) hebben vertrouwen dat ze de financiering zullen krijgen als ze naar de bank stappen. Er is weinig verschil tussen België en de buurlanden: Nederlandse kmo’s hebben het laagste vertrouwen in banken (61,9 %), de Belgische het hoogste (75,2 %) met Duitse en Franse kmo’s ertussenin (respectievelijk 63,6 % en 68,4 %).

    Het vertrouwen in risicokapitaalinvesteerders daarentegen is relatief laag, zeker in Frankrijk waar slechts 7,8 % van de kmo’s vertrouwen heeft in die vorm van externe financiering. Bij Nederlandse (23,8 %), Belgische (24,0 %) en Duitse (25,4 %) kmo’s lijken risicokapitaalinvesteerders toch al op iets meer vertrouwen te rekenen, al gaat het met een kwart van de ondernemingen nog steeds om een kleine minderheid.

    Kapitaalinvesteringen gebeuren voornamelijk via investeerders van risicokapitaal of business angels. In België komt financiering via aandelen slechts voor bij één op de honderd kmo’s, terwijl het wel relevant is voor 12,5 % van hen. Het mindere gebruik van die financieringsvorm kan zich deels verklaren door het feit dat kmo’s verklaren minder vertrouwen te hebben in het resultaat van onderhandelingen met investeerders van risicokapitaal of business angels dan bij banken.

    Deze gegevens onderstrepen het overwicht van banken als de meest betrouwbare financieringsbron, terwijl alternatieve vormen van kapitaalfinanciering nog steeds een beperkt vertrouwen genieten onder de kmo’s, met name in sommige landen.

    Laatst bijgewerkt
    7 augustus 2025