Table of Contents

    Deze pagina geeft weer hoe Belgische kleine en middelgrote ondernemingen het in 2021 doet op het vlak van de toegang tot financiering in vergelijking met haar buurlanden (Frankrijk, Duitsland en Nederland).

    De bedrijven die in het kader van de Survey on Acces to Finance of Enterprises (SAFE) werden ondervraagd, werden geïnterviewd in maart-april en september-oktober 2021. Door de sterke achteruitgang van de mondiale economische context sinds het eerste kwartaal van 2022 is het statistische beeld dat op basis van deze cijfers wordt geschetst zeker niet meer volledig representatief voor de huidige economische context.

    Voornaamste obstakels van de ontwikkeling van kmo’s

    Aan financiering geraken (5,3 %) wordt in België minder vaak ervaren als het grootste obstakel die de ontwikkeling van een onderneming tegenhoudt, net zoals dat in onze buurlanden Duitsland (6,2 %), Frankrijk (6,5 %) en Nederland (4,8 %). De krapte op de arbeidsmarkt in 2021 is het vaakst het grootste probleem voor kmo’s, zowel voor België (34,6 %) als onze buurlanden. In Nederland geeft twee op de vijf (40,4 %) kmo’s aan dat dit het grootste obstakel is.

    Met een gemiddelde score van 4,2 op 10 wordt de toegang tot financiering als een minder belangrijke problematiek beschouwd door de Belgische kmo’s. De Duitse en Franse kmo’s hebben een gelijkaardige score gegeven aan deze variabele: respectievelijk 4,0 en 3,9. Onder de Nederlandse kmo’s is deze belemmering zelfs nog minder uitgesproken met een gemiddelde score van slechts 3,2. De toegang tot financiering is dus één van de meest voorkomende problematieken bij kmo’s, maar het heeft momenteel niet hun voornaamste prioriteit.

    Factoren die toegang tot financiering beïnvloeden

    De grafiek “Evolutie van factoren die financiering beïnvloeden” toont de manier waarop kmo’s de voorwaarden voor de toegang tot financiering ervaren. Het gaat om het verschil in procentpunt tussen het aantal ondernemingen die een verbetering waarnemen en het aantal die een achteruitgang van de voorwaarden voor toegang tot financiering aanduiden in de laatste zes maanden. Deze berekening is uitgevoerd voor drie variabelen: de toegang van de onderneming aan publieke hulp, de bereidheid van banken om kredieten te verlenen en de bereidheid van investeerders om ondernemingen te steunen.

    Duitse en Franse kmo’s melden vaker een versterking van de hulp van bankinstellingen om kredieten te verlenen, net zoals er een verbetering is van de steun door investeerders en toegang tot publieke hulp ten opzichte van 2020 (positief verschil tussen verbetering – achteruitgang). In België en Nederland daarentegen geven de ondervraagde ondernemingen een kleine daling bij de volgende factoren: de bereidheid van de banken om krediet te verlenen en de toegang tot financiële hulp. De steun van investeerders evolueert daarentegen wel positief in die twee landen.

    Financieringsvormen

    Dezelfde financieringsvormen komen naar voor als er wordt gekeken naar relevantie en gebruik: de traditionele banklening, een kredietlijn en leasing. Toch zijn er ook enkele opvallende verschillen. Een banklening is slechts relevant voor iets meer dan een derde (36,5 %) van de Nederlandse kmo’s en heeft slechts 7,4 % er één gebruikt in het afgelopen jaar. Subsidies zijn dan weer populair in Frankrijk en Duitsland, waar met respectievelijk 40,6 en 39,0 % van de ondernemingen aangeeft dat het relevant is voor hen, waarmee dat aandeel dubbel zo hoog ligt dan bij Belgische kmo’s.

    Financieringsaanvraag

    In België heeft iets meer dan een derde (35,8 %) van de ondernemingen waarvoor een banklening relevant is, er ook één aangevraagd in het afgelopen jaar. Dat is hoger dan in onze buurlanden en bijna het driedubbele dan in Nederland (12,3 %) waar een banklening ook minder relevant is. De angst voor een weigering bij een banklening is bij Belgische kmo’s ook relatief laag (3,1 %), waar dat in Frankrijk 5,3 % is. Ook wat betreft de kredietlijn zien we dat Nederlandse kmo’s het afgelopen jaar weinig kredietlijnen hebben afgesloten of vernieuwd, voornamelijk omdat ze al over voldoende middelen beschikken (68,0 %).

    Uitkomst financieringsaanvraag

    Het grootste deel van de aanvragen resulteert in een toekenning van de financiering van het gevraagde bedrag. In Nederland ligt dat cijfer wel lager voor bankleningen (53,8 %) en in mindere mate kredietlijnen (62,5 %). Er moet wel worden rekening gehouden dat het deel aanvragen dat nog in behandeling is op het moment van de bevraging, in Nederland ook hoger ligt (21,7 % voor bankleningen en 10,0 % voor kredietlijnen). Belgische ondernemingen gaan iets vaker dan hun tegenhangers uit onze buurlanden niet in op de financiering omdat ze de daaraan verbonden kosten of interesten te hoog vinden. Kredietweigering komt in België (5,4 en 6,0 % voor respectievelijk banklening en kredietlijn) vaker voor dan in Duitsland (3,5 en 3,4 %), wat vergelijkbaar is met de resultaten aangegeven door Franse kmo’s (5,9 en 6,0 %). De weigeringsgraad is globaal gezien hoger  in Nederland (12,2 en 14,1 %).

    Bestemming financiering

    Als we bekijken waarvoor het verkregen externe kapitaal gebruikt wordt, blijkt dat het voornamelijk wordt gebruikt voor investeringen in vaste activa en de opbouw van voorraden en werkkapitaal. Dat is ook het geval in onze buurlanden Duitse (30,5 %) en Nederlandse (20,3 %) kmo’s gebruiken het geld ook voor de aanwerving en opleiding van werknemers. In Frankrijk en België is dit minder een bestemming van het kapitaal, met 10 % van de gevallen. We zien dezelfde verhoudingen bij de. Iets meer dan een kwart van de Duitse kmo’s (27,3 %) gebruikt extern geld voor de ontwikkeling en lancering van nieuwe producten of diensten, terwijl  Belgische en Franse kmo’s externe financiering minder gebruiken voor dit doel: respectievelijk 9,0 % en 9,6 %.  

    Gewenst type financiering

    Een meerderheid van de kmo’s verkiest een banklening om haar groeiambities te financieren. Toch zijn er grote verschillen: Franse kmo’s zouden in 79,5 % van de gevallen kiezen voor een banklening, terwijl dat in Nederland ‘maar’ 55 % is. België ligt daar ergens tussenin met 61,4 %. Inbreng van kapitaal lijkt niet beschouwd te worden als een financieringsbron naar voorkeur van de Belgische kleine ondernemingen (4,3 %). Die financieringsbron wordt nog minder gebruikt in Frankrijk, waar slechts 3,6 % van de ondervraagde ondernemingen hier voorkeur aan geeft.

    Hindernissen externe financiering

    Bijna drie op vijf ondernemingen in België geven aan geen hindernissen die het behalen van hun financiering zouden blokkeren te ondervinden. Dat is hoger dan bij Duitse (52,9 %), Franse (51,3 %) en Nederlandse (47,4 %) kmo’s die vaker lijken tegengehouden te worden. Bij België en de buurlanden is het gebrek aan waarborgen de meest genoemde hindernis om over te gaan tot een financiering. Iets meer dan één op de tien Duitse kmo’s geeft aan dat er te veel administratieve lasten zijn en dat bij 7,2 % van Franse kmo’s de hoge kredietkosten hen tegenhouden (7,2 %).

    Er is trouwens een verband tussen de grootte van de onderneming en de waargenomen belemmeringen. Grotere ondernemingen ondervinden minder vaak obstakels dan kleinere ondernemingen.

    Vertrouwen om tot het gewenst resultaat te komen

    Kapitaalinvesteringen gebeuren voornamelijk via investeerders van risicokapitaal of business angels. In België komt financiering via aandelen slechts voor bij minder dan één op de tien kmo’s, terwijl het wel relevant is voor 16,7 % van hen. Het mindere gebruik van die financieringsvorm kan zich deels verklaren door het feit dan kmo’s verklaren minder vertrouwen hebben in het idee dat ze een gewenst resultaat zullen bekomen bij investeerders van risicokapitaal of business angels dan bij banken.

    Ongeveer drie kwart van de Belgische kmo’s hebben vertrouwen dat ze de financiering zullen krijgen als ze naar de bank stappen. Er is weinig verschil tussen België en de buurlanden: Nederlandse kmo’s hebben het laagste vertrouwen (68,8 %), de Duitse het hoogste (77,4 %) met Belgische kmo’s ertussenin (73,9 %).

    Het vertrouwen in risicokapitaalinvesteerders daarentegen is relatief laag, zeker in Frankrijk waar slechts 14,8 % van de kmo’s vertrouwen heeft. Risicokapitaalinvesteerders lijken daarentegen bij Nederlandse kmo’s toch al op iets meer vertrouwen te rekenen (39,9 %). Belgische en Duitse kmo’s liggen tussenin met ongeveer 30 %.

    Laatst bijgewerkt
    5 december 2022