Table of Contents

    Deze pagina geeft weer hoe Belgische kleine en middelgrote ondernemingen het in 2022 doen op het vlak van de toegang tot financiering in vergelijking met de buurlanden (Frankrijk, Duitsland en Nederland).

    In het kader van de Survey on Access to Finance of Enterprises (SAFE) werden bedrijven in Europa in de periodes maart-april en september-oktober 2022 ondervraagd. Gezien de dynamiek van de mondiale economische context, is het mogelijk dat het statistische beeld dat op basis van deze cijfers wordt geschetst niet meer volledig representatief is voor de huidige economische context.

    Voornaamste obstakels van de ontwikkeling van kmo’s

    Toegang tot financiering (4,6 %) wordt in België niet vaak door ondernemers ervaren als het grootste obstakel voor het ontwikkelen van een onderneming, net zoals dat in onze buurlanden het geval is: Duitsland (5,6 %), Frankrijk (6,3 %) en Nederland (5,1 %). De krapte op de arbeidsmarkt in 2022 is daarentegen het grootste probleem volgens kmo’s, zowel in België (34,7 %) als in onze buurlanden. In Nederland geeft bijna twee op de vijf (37,9 %) kmo’s aan dat dit het grootste obstakel is.  

    Een andere maatstaf is de score die ondernemingen geven aan een obstakel, waar 1 staat voor niet belangrijk en 10 staat voor heel belangrijk. Met een gemiddelde score van 4,1 op 10 wordt de toegang tot financiering als een minder belangrijk probleem beschouwd door de Belgische kmo’s. De Duitse en Franse kmo’s hebben een gelijkaardige score gegeven aan die variabele: respectievelijk 3,9 en 3,7. Onder de Nederlandse kmo’s is die belemmering zelfs nog minder uitgesproken met een gemiddelde score van slechts 3,2. De toegang tot financiering is dus één van de meest voorkomende moeilijkheden bij kmo’s, maar het is momenteel niet hun voornaamste prioriteit.

     

    Factoren die toegang tot financiering beïnvloeden

    De grafiek “Evolutie van factoren die financiering beïnvloeden” toont de manier waarop kmo’s de voorwaarden voor toegang tot financiering ervaren. De grafiek geeft het verschil in procentpunt weer tussen het aantal kmo’s dat een verbetering waarneemt en het aantal kmo’s dat een achteruitgang ziet in de voorwaarden voor toegang tot financiering in de laatste zes maanden. Die berekening is uitgevoerd voor drie variabelen:

    1. de toegang van de onderneming aan publieke hulp,
    2. de bereidheid van banken om kredieten te verlenen,
    3. de bereidheid van investeerders om ondernemingen te steunen.

    In alle vier onderzochte landen vinden ondernemingen dat banken minder bereid zijn om leningen te verschaffen dan het jaar ervoor (negatief verschil tussen verbetering – achteruitgang), hoewel de mate van achteruitgang verschilt: Duitsland (-0,8 procentpunt) tegenover Nederland (-11,5 procentpunt). Ook de toegang tot financiële hulp lijkt in 2022, opnieuw voor alle vier landen, een stuk moeilijker dan in 2021. Anderzijds neemt de bereidheid van investeerders om te investeren toe in de buurlanden. Dat is niet het geval in België, hoewel de daling in ons land klein is (-0,3 procentpunt).

     

    Financieringsvormen

    Dezelfde financieringsvormen komen naar voor als er wordt gekeken naar relevantie en gebruik: de traditionele banklening, een kredietlijn en leasing. Toch zijn er ook enkele opvallende verschillen. Een banklening is slechts relevant voor bijna vier op de tien (39,5 %) Nederlandse kmo’s en slechts 8,2 % heeft er één gebruikt in het afgelopen jaar. Subsidies zijn dan weer populair in Frankrijk, Duitsland, en België met ongeveer 37 % van de ondernemingen die aangeeft dat het relevant is voor hen. Echter ligt het effectieve gebruik van dat financieringsmiddel bij Belgische kmo’s de helft lager (4,6 %) dan bij Duitse (10,9 %) of Franse (9,0 %) kmo’s. We zien dus gelijkaardige trends in de relevantie en populariteit van financieringsvormen, maar nuances in de gekozen oplossingen tussen de vier verschillende landen.

     

    Financieringsaanvraag

    In België heeft een derde (32,9 %) van de ondernemingen waarvoor een banklening relevant is, er ook een aangevraagd in het afgelopen jaar. Dat is hoger dan in onze buurlanden en meer dan het dubbele dan Nederland (14,9 %), waar een banklening ook minder relevant is. De angst voor een weigering bij een banklening is bij Belgische kmo’s ook relatief laag (3,6 %), waar dat in bijvoorbeeld Frankrijk 6,1 % is. Wat betreft de kredietlijn zien we dat Nederlandse kmo’s het afgelopen jaar weinig kredietlijnen hebben afgesloten of vernieuwd, voornamelijk omdat ze al over voldoende middelen beschikken (60,9 %). Ook voor bankleningen is dat de grootste reden waarom Nederlandse ondernemingen geen leningen hebben aangevraagd (62,0 %).

     

    Uitkomst financieringsaanvraag

    Het grootste deel van de aanvragen resulteert in een toekenning van de financiering van het gevraagde bedrag. In Nederland ligt dat cijfer wel lager voor bankleningen (56,2 %) en in Frankrijk voor kredietlijnen (64,0 %). Toch ligt het deel aanvragen dat nog in behandeling is op het moment van de bevraging in Nederland hoger (16,4 % voor bankleningen). Kredietweigering bij bankleningen komt in België (7,0 %) iets meer voor dan in Frankrijk (5,1 %) en Duitsland (4,9 %). Bij kredietlijnen wordt de aanvraag enkel in Duitsland (5,1 %) minder vaak geweigerd dan in België (6,5 %). De weigeringsgraad is globaal gezien hoger in Nederland (13,9 % voor bankleningen en 10,8 % voor kredietlijnen).

     

    Bestemming financiering

    Als we bekijken waarvoor het verkregen externe kapitaal gebruikt wordt, blijkt dat het voornamelijk wordt gebruikt voor investeringen in vaste activa en de opbouw van voorraden en werkkapitaal. Dat is ook het geval in onze buurlanden. Duitse (34,5 %), en in mindere mate Nederlandse (16,8 %) kmo’s gebruiken het geld ook voor de aanwerving en opleiding van werknemers. In Frankrijk en België is dit een minder aangewende bestemming van het kapitaal, met ongeveer 8 % van de ondernemingen die het voor dat doeleinde gebruiken. Een kwart van de Duitse kmo’s (25,1 %) gebruikt extern kapitaal voor de ontwikkeling en lancering van nieuwe producten of diensten, terwijl Belgische en Franse kmo’s externe financiering minder gebruiken voor dat doel: respectievelijk 8,6 % en 7,4 %.  

     

    Gewenst type financiering

    Een meerderheid van de kmo’s verkiest een banklening om haar groeiambities te financieren. Toch zijn er grote verschillen: Franse kmo’s zouden in 73,8 % van de gevallen kiezen voor een banklening, terwijl dat in Nederland “maar” 53,2 % is. Ook in België wordt een banklening gezien als financieringsinstrument van voorkeur (70,1 %). Inbreng van kapitaal lijkt niet beschouwd te worden als een financieringsbron naar voorkeur van de Belgische kleine ondernemingen (3,5 %). Die financieringsbron heeft ook weinig succes in de buurlanden.

     

    Hindernissen externe financiering

    Bijna twee op de vijf ondernemingen in België ondervindt geen hindernissen in hun zoektocht naar financiering. Een iets hoger cijfer zien we in de Duitse (43,2%), Franse (42,2%) en Nederlandse (41,1%) kmo’s. Ook daar zijn er dus een aanzienlijk aantal kmo’s die geen financieringshindernissen ervaren. In België en de buurlanden is een te hoge interestvoet de meest genoemde barrière om over te gaan tot een financieringsaanvraag, terwijl dat in 2021 het gebrek aan waarborgen was.

    Er is trouwens een verband tussen de grootte van de onderneming en de waargenomen belemmeringen. Grotere ondernemingen ondervinden minder vaak obstakels dan kleinere ondernemingen.

     

    Vertrouwen om tot het gewenst resultaat te komen

    Kapitaalinvesteringen gebeuren voornamelijk via investeerders van risicokapitaal of business angels. In België komt financiering via aandelen slechts voor bij een op de honderd kmo’s, terwijl het wel relevant is voor 13,1 % van hen. Het mindere gebruik van die financieringsvorm kan zich deels verklaren door het feit dan kmo’s verklaren minder vertrouwen te hebben in investeerders van risicokapitaal of business angels dan bij banken.

    Ongeveer twee derde van de Belgische kmo’s hebben vertrouwen dat ze de financiering zullen krijgen als ze naar de bank stappen. Er is weinig verschil tussen België en de buurlanden: Duitse kmo’s hebben het laagste vertrouwen in banken (65,2 %), de Franse het hoogste (70,5 %) met Belgische kmo’s ertussenin (68,7 %).

    Het vertrouwen in risicokapitaalinvesteerders daarentegen is relatief laag, zeker in Frankrijk waar slechts 12,3 % van de kmo’s vertrouwen heeft in die vorm van externe financiering. Bij Nederlandse en Duitse kmo’s lijken risicokapitaalinvesteerders toch al op iets meer vertrouwen te rekenen (respectievelijk 35,4 % en 38,0 %)). Voor Belgische kmo’s ligt dat cijfer op 24,7 %.

     

    Laatst bijgewerkt
    8 augustus 2023