Table of Contents

    Verbetering van de coronasituatie

    Het coronavirus (COVID-19) deed zijn intrede in december 2019 in de Chinese stad Wuhan, gelegen in de provincie Hubei (centrum van China). De huidige verspreiding laat zien dat Amerika als geheel in september 2021 de belangrijkste besmettingshaard van de pandemie vormt (39 % van de gevallen), gevolgd door Europa (30 %), terwijl Zuidoost-Azië naar de derde plaats is gezakt (19 % van de gevallen). Individueel gezien tellen de Verenigde Staten, gevolgd door India en Brazilië, het grootste aantal besmette personen, niet alleen door de oorspronkelijke stam van COVID-19, maar ook door de varianten die momenteel over de hele wereld worden geregistreerd. In Europa tellen Rusland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Italië, Duitsland en Polen het grootste aantal besmette personen.

    Sinds de vaccins beschikbaar zijn, richtten de meeste landen vaccinatiecampagnes in, die nog steeds aan de gang zijn. Op 6 september 2021 had in België 73,4 % (64,2 % op 6 juli) van de totale bevolking en 85,6 % (79,3  % op 6 juli) van de bevolking van 18 jaar en ouder al ten minste één dosis van het vaccin gekregen. Anderzijds is 71,2 % (36,2 % op 6 juli) van de totale bevolking en 83,8 % (45,2 % op 6 juli) van de bevolking van 18 jaar en ouder) volledig gevaccineerd. Het effect van de intensieve vaccinatiecampagne en andere maatregelen tegen COVID-19 wordt echter verminderd door het effect van recente versoepelingsmaatregelen, de terugkeer van de vakantie en het begin van het schooljaar. Dat leidt tot gemengde resultaten, waarbij sommige epidemiologische indicatoren toenemen terwijl andere afnemen. Volgens de gegevens van de FOD Volksgezondheid (8 september) nam het gemiddelde aantal nieuwe gevallen per dag af (van de laatste 7 dagen, van 29 augustus tot 4 september 2021) en bedroeg het 1.971 (tegenover 2.026 voordien), dat is een daling van 3 %. Het aantal nieuwe hospitalisaties (tijdens de periode van 1 tot 7 september) bedroeg gemiddeld 70 per dag (tegenover 61,1 voordien), dat is een stijging van 14 %.

    Economische verspreidingskanalen

    Als maatregelen om de verspreiding van het virus in te dijken, noemen we op de eerste plaats de opgelegde sluitingen van handelszaken en fysieke winkels en andere noodmaatregelen waardoor de detailhandel, de vrijetijdsbesteding, het toerisme, de horeca, het transport en de evenementen hard werden getroffen. Daarbovenop komen ook, ongeacht de sectoren, de niet-essentiële bedrijven die niet in telewerk kunnen voorzien en waar het niet mogelijk is om de fysieke afstand te respecteren. Hoewel alle sectoren gemiddeld negatief worden beïnvloed, brengt de daling van de verkoop of de stopzetting van de verkoop door een gebrek aan e-commerce, bedrijven en zelfstandigen in gevaar, in het bijzonder de kleinste structuren die niet over voldoende cashflow beschikken om een dergelijke aanhoudende crisis het hoofd te bieden.

    De uitgesproken integratie van de Belgische economie in de mondiale waardeketens ligt ook aan de oorsprong van een watervaleffect: wanneer de groei van de economische activiteit elders vertraagt, sijpelt dat, eventueel via tussenschakels, door naar ons land. De Franse finale vraag is bijvoorbeeld goed voor 6,2 % van de Belgische toegevoegde waarde, de Duitse vraag voor 5,6 % en de Nederlandse vraag voor 4,0 %. Het Verenigd Koninkrijk, dat hard getroffen is door het virus, genereert 3,8 % van onze toegevoegde waarde en Italië 2,4 %, terwijl de totale finale vraag uit China goed is voor 1,9 % van de Belgische toegevoegde waarde. Naast de daling van de consumptie- en investeringsuitgaven (vraagschok) worden de ondernemingen van verschillende sectoren op korte termijn tevens geconfronteerd met verstoringen van het aanbod (toeleveringsproblemen, voorraadtekorten, liquiditeitsproblemen, schaarste aan arbeidskrachten). Op langere termijn zal de impact op de productiviteit afhangen van de omvang en de doeltreffendheid van de reallocaties tussen sectoren en ondernemingen en van de veranderingen in de organisatie van de productie.

    In het tweede kwartaal van 2021 overschrijdt de totale omzet het niveau van vóór de crisis

    In 2019 was de omzet van alle ondernemingen volgens de btw-aangiften (Statbel) nog stabiel ten opzichte van het voorgaande jaar. Vanaf het eerste kwartaal van 2020 daalde de omzet (-4,2 %), om vervolgens in het tweede kwartaal van 2020 in te storten (-19,6 %) door de inperkingsmaatregelen. In de tweede helft van 2020 was er vervolgens een minder uitgesproken daling op jaarbasis, waarbij de omzet daalde van -6,9 % (in het derde kwartaal) tot -4,2 % (in het laatste kwartaal).

    In het eerste kwartaal van 2021 bedroeg de omzetgroei 3,7 % op jaarbasis, dat is nog iets onder het niveau van voor de crisis (-0,7 % op twee jaar). In het tweede kwartaal van 2021 (voorlopige cijfers) steeg de totale omzet echter spectaculair, met 36 % op jaarbasis, en zelfs met 9,3 % op twee jaar.

    Er waren uiteraard verschillen per sector in dit tweede kwartaal. Terwijl, over één jaar tijd, slechts 3 van de 70 sectoren (NACE 2-cijfer) in het tweede kwartaal nog een omzetdaling lieten zien, laat de vergelijking over twee jaar een daling zien in 27 sectoren (NACE 2-cijfer). De drie sectoren die in het tweede kwartaal zowel tegenover 2020 als tegenover 2019 een omzetdaling kenden, zijn:

    • vervaardiging van tabaksproducten (-16,8 % over een jaar, -3,5 % over twee jaar);
    • productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht (-12,5 % over een jaar, -23,0 % over twee jaar);
    • opvang en behandeling van afvalwater (-9,9 % over een jaar, -18,9 % over twee jaar).

    Bovendien zijn de drie sectoren die in het tweede kwartaal het zwaarst getroffen zijn in vergelijking met twee jaar:

    • reisbureaus, reisorganisatoren, reserveringsbureaus en aanverwante activiteiten (+73,3 % over een jaar, -75,0 % over twee jaar);
    • verschaffen van accommodatie (+145,2 % over een jaar, -47,1 % over twee jaar);
    • vervaardiging van andere transportmiddelen (+8,7 % over een jaar, -45,9 % in twee jaar).

    Uit de enquêtes van de Economic Risk Management Group (ERMG) blijkt dat de omzetverliezen ten opzichte van een situatie zonder de coronacrisis in 2021 en 2022 aanhouden. De vooruitzichten voor 2021 lijken echter positiever in de laatste maandelijkse enquête van juni 2021 (een omzetdaling van -6 %), na geraamde verliezen van 12 % voor het panel van in november 2020 ondervraagde bedrijven. De omzetverwachtingen voor 2022 zijn eveneens verbeterd, van een verlies van 6 % in de enquête van december 2020 tot 3-4 % in de eerste helft van 2021.

    Voorts blijkt uit de resultaten van de ERMG dat het omzetverlies zich tussen eind maart en eind juni 2021 (de laatste enquête van de ERMG) stabiliseert op ongeveer 10 %, nadat een algemeen omzetverlies voor de bedrijven is gerapporteerd in vergelijking met een normale situatie van gemiddeld 34 % in april 2020, 13 % in augustus en 17 % in november (het hoogste geraamde verlies van de tweede golf inperkingsmaatregelen).

    Als belangrijkste reden voor de omzetdaling noemden de ondervraagde bedrijven een gebrek aan vraag. Sommige sectoren werden echter bijzonder getroffen door het verbod op hun activiteiten, zoals de niet-medische contactberoepen. Hoewel sociale vervreemding aan het begin van de crisis werd genoemd als oorzaak van inkomstenderving, nam het belang daarvan af naarmate de kwestie van het aanbod prominenter werd, met name in de enquêtes die in 2021 werden gehouden.

    Het percentage bedrijven dat te kampen heeft met liquiditeitstekorten is gedaald van 50 % van de in maart 2020 ondervraagde bedrijven tot ongeveer 30 % in de enquête van mei 2021. Aan het begin van de crisis was het gebrek aan liquiditeiten vooral te wijten aan late betalingen van klanten. Naarmate de crisis vorderde, werden de liquiditeitsproblemen echter vooral veroorzaakt door derving van inkomsten. In de enquête van november 2020 was de situatie bijzonder kritiek voor bedrijven, waarbij bijna één op twee aangaf dat zij het maximaal zes maanden financieel zouden kunnen uithouden. Sindsdien is die onzekerheid door de verschillende versoepelingen en  inperkingen verminderd en bijna 42 % van de ondernemingen gaf aan dat zij het in mei 2021 ten minste twee jaar konden uithouden.

    Bedrijfsinvesteringen trekken aan

    Door omzetverliezen hebben bedrijven tijdens de economische en gezondheidscrisis hun investeringen aanzienlijk teruggeschroefd. Volgens de gegevens van de btw-aangifte (Statbel) waren de investeringen, die vanaf het derde kwartaal van 2019 al een neerwaartse trend vertoonden, in het tweede kwartaal van 2020 met 22,2 % over een jaar gedaald. Daarna trokken de bedrijfsinvesteringen weer aan in lijn met de economische activiteit, met een stijging van 1,1 % in het eerste kwartaal van 2021 ten opzichte van een jaar eerder, maar wel met een daling van 1,8 % ten opzichte van het eerste kwartaal van 2019. In het tweede kwartaal stegen de investeringen aanzienlijk met 33,9 % over een jaar, en kwamen ze vergeleken over twee jaar, dus vóór de crisis,  4,1 % hoger uit.

    Slechts vijf sectoren hebben in het tweede kwartaal van 2021 minder geïnvesteerd dan in 2020. Sommige sectoren hebben in het tweede kwartaal van 2021 hun investeringsniveau van vóór de crisis echter nog niet teruggevonden. De sectoren met de grootste negatieve veranderingen zijn

    • vervoer over water (+166,5 % over een jaar, -81,7 % over twee jaar);
    • auto-industrie (-22,8 % over een jaar, -41,4 % over twee jaar);
    • drukken en reproduceren van archiefdocumenten (+5,9 % over een jaar, -33,6 % over twee jaar).

    Uit de ERMG-enquêtes blijkt dat de investeringen in 2021 19 % lager zullen liggen dan in normale tijden wordt verwacht. De impact van het coronavirus lijkt aan te houden aangezien de investeringen in 2022 14 % onder het door de Belgische bedrijven verwachte niveau zouden blijven (ERMG-enquête van mei 2021).

    De helft van de ondernemingen kampt met aanbodbeperkingen

    In de ERMG-enquêtes van mei en juni 2021 werd dieper ingegaan op de bevoorradingsproblemen van bedrijven, waardoor 15 % van de bedrijven die in juni bevraagd werden inkomsten misliep.

    Nog steeds volgens de laatste enquête van de ERMG van 22 juni 2021 treffen de andere toeleveringsproblemen dan de prijzen 49 % van de Belgische ondernemingen, voornamelijk door schaarste bij de leveranciers. Dat resultaat ligt in de lijn van de onderbreking van de toeleveringslijnen in bepaalde bedrijfstakken, vooral in de industriesectoren. 48 % van de bedrijven werd geconfronteerd met een stijging van de kosten van hun inputs, met een gemiddelde prijsstijging van 12 % (tot 29 % in de metaalindustrie of 25 % in de kunststoffenindustrie). Hogere inputprijzen, zoals beoordeeld in de vorige enquête van 25 mei, vormen een realiteit voor 49 % van de bevraagde ondernemingen, en die zullen doorgerekend worden aan de consumenten voor gemiddeld 46 %. Slechts 11 % van de ondernemingen zullen de stijging van de inputprijzen volledig doorrekenen in hun verkoopprijzen (met name de vervaardiging van metaal en metaalproducten), tegenover 16 % die het niet zullen doen (meer bepaald de voedingsindustrie en ook de voedingsdetailhandel).

    Volgens de enquête van de ERGM van 22 juni ondervindt 60 % van de bedrijven moeilijkheden bij de aanwerving. Van hen is de helft van mening dat het vinden van geschikt personeel niet moeilijker is dan normaal. Om de mislukte aanwervingen te compenseren, overwegen de bedrijven drie manieren:

    • consultants, freelancers, uitzendkrachten, studentenjobs of werknemers met een tijdelijk contract in dienst nemen (19 %)
    • de arbeidsomstandigheden verbeteren (14 %)
    • het bestaande personeel opleiden en verder ontwikkelen (13 %)

    18 % van de bedrijven is niet van plan een extra strategie toe te passen om geschikte profielen te vinden en 33 % heeft niet te kampen met een personeelstekort.

    Problemen met de toeleveringsketen en aanwerving zullen een grote impact hebben op 76 % van de respondenten. De grootste impact is het tijdelijke verlies van verkoop (33 %, +3 procentpunt vergeleken met mei), gevolgd door voorraadvermindering (17 %, +3 procentpunt vergeleken met mei) en verlies van klanten (13 %, +1 procentpunt vergeleken met mei).

    Aanzienlijke groei van de uitvoer en de invoer in het tweede kwartaal van 2021

    Onze handel in goederen is voornamelijk op de interne markt gericht, met name op Duitsland, Frankrijk en Nederland. In 2020 waren de uitvoer en de invoer intra-EU goed voor respectievelijk 63 % en 67 % van onze handel.

    Na een positieve ontwikkeling tussen 2017 en 2018 is de export in 2019 blijven groeien (+1,4 %), in tegenstelling tot de invoer, die daalde (-1,4 %). De exportgroei in 2019 was vooral te danken aan de groei van de uitvoer extra-EU. Aan de invoerzijde is zowel de intra- als de extra-EU-handel teruggelopen. Door de coronacrisis is zowel de uitvoer (-6,1 %) als de invoer (-7,1 %) in 2020 gekrompen, waarbij de uitvoer extra-EU de schok van de pandemie beter heeft doorstaan (-3,8 %) dan de uitvoer intra-EU (-7,4 %).

    In het eerste kwartaal van 2021 groeide de uitvoer met 4,9 % op jaarbasis en 5,3 % over twee jaar  (d.w.z. in vergelijking met de situatie vóór de crisis). De exportstijging was opnieuw vooral te danken aan de uitvoer extra-EU, die op jaarbasis met 7,6 % en over twee jaar met 10,5 % toenam. De invoer daalde in het eerste kwartaal van 2021 met 0,6 % ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2020, en met 1,3 % ten opzichte van 2019, voornamelijk door de daling van de invoer extra-EU (-11,6 % op jaarbasis en -6,1 % over twee jaar).

    De ontwikkeling van de buitenlandse handel is in het tweede kwartaal van 2021 verder verbeterd. De uitvoer steeg met 41,3 % over een jaar en met 15 % over twee jaar. Zij werden ondersteund door een aanzienlijke toename van de uitvoer naar derde landen (+47,6 % over een jaar en +24,4 % over twee jaar) en van de uitvoer binnen de EU (+37,7 % over een jaar en +10,0 % over twee jaar). De invoer steeg met 34,6 % over een jaar en met 5,3 % over twee jaar. Zowel de in- als de uitvoer kwamen dus hoger uit dan voor de crisis, in tegenstelling tot het vorige kwartaal. Bij de invoer, stelden we vast dat de invoer uit derde landen in het tweede kwartaal van 2021 weer is gegroeid (+29,6 % over een jaar en +4,4 % over twee jaar), terwijl de groei van de invoer binnen de EU is versterkt (+37,2 % over een jaar en +5,7 % over twee jaar). De omvang van het herstel van de uitvoer en invoer in het tweede kwartaal van 2021 kan worden verklaard door de intensiteit van de crisis in het tweede kwartaal van 2020.

    Als we kijken naar de goederenhandel, zien we dat de volgende categorieën exportproducten het bijzonder goed deden in het eerste kwartaal 2021 (nadere gegevens voor het tweede kwartaal van 2021 zijn nog niet beschikbaar bij de Nationale Bank België (NBB):

    • minerale producten (+ 36 % over een jaar, +8 % over twee jaar);
    •  kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (+ 31,4 % over een jaar, +22,3 % over twee jaar);
    • Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk (+14,3 % over een jaar, +13,4 % over twee jaar).

    Aan de invoerzijde was de stijgende trend opvallend voor:

    • diverse goederen en producten (+16 % over een jaar, +14,5 % over twee jaar);
    • minerale producten (+14,7 % over een jaar, -6,4 % over twee jaar);
    • onedele metalen en werken daarvan (+14 % over een jaar, +12,2 % over twee jaar).

    De uitvoer daalde daarentegen het meest voor:

    • huiden, vellen, leder en pelterijen (-26,5 % over een jaar, -33,9 % over twee jaar);
    • producten van het plantenrijk (-8,5 % over een jaar, +6,6 % over twee jaar)  ;
    • textielwaren en textielstoffen (-7,1 % over een jaar, -7,2 % over twee jaar).

    Voor de invoer zijn de hardst getroffen producten:

    • wapens en munitie; delen en toebehoren daarvan (-33,5 % over een jaar, -40 % over twee jaar);
    • echte en gekweekte parels, edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; fancybijouterieën; munten (-21,3 % over een jaar, -25,1 % over twee jaar);
    • producten van de chemische en van de aanverwante industrieën (-15,2 % over een jaar, -11,5 % over twee jaar).

    Vertraging bij de oprichting en afschrijving van bedrijven

    Het aantal btw-plichtige ondernemingen nam voor alle sectoren samen toe met 4 % in 2020, ondanks de COVID-19-crisis (+40.133 btw-plichtigen tussen 1 januari en 31 december 2020), na een groei van 3,5 % in 2019. In het eerste kwartaal van 2021 bedroeg de groei 3,8 % ten opzichte van het jaar ervoor, goed voor 38.771 bijkomende ondernemingen in januari, 38.339 in februari en 39.097 in maart. Het aantal oprichtingen van ondernemingen (eerste inschrijvingen en herinschrijvingen) nam zo toe met 35,4 % tussen het eerste kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021.

    In juni 2021, de laatst beschikbare cijfers, is het aantal btw-plichtige bedrijven op jaarbasis met 47.185 eenheden gestegen, een stijging van 4,6 % ten opzichte van juni 2020. Dat is het hoogste aantal oprichtingen in een jaar in de laatste vier jaar. Het aantal eerste onderwerpingen als btw-plichtige steeg in dezelfde periode met 32,8% tot 7.474. 971 bedrijven werden in juni 2021 opnieuw onderworpen aan de btw, wat neerkomt op een stijging van het aantal herinschrijvingen met 28,6 % op jaarbasis. Het aantal stopzettingen in juni 2021 steeg met 13,8 % ten opzichte van het voorgaande jaar tot 5.931. Dat is het laagste aantal stopzettingen over een jaar sinds december 2020.

    De ondernemingsdynamiek is sinds december 2020 versterkt, aangezien de oprichtingen op jaarbasis positief blijven (+4 % in december 2020, +3,8 % in januari, februari en maart, +4,3 % in april, +4,5 % in mei en +4,6 % in juni), terwijl ook het aantal startende ondernemers op jaarbasis toeneemt (+17,9 % in december 2020, -5,7 % in januari 2021, +6,6 % in februari, +35,6 % in maart, +94,1 % in april, +48,1 % in mei en +32,8 % in juni), terwijl het aantal schrappingen geleidelijk toeneemt (+30,7 % in december 2020, +3,1 % in januari 2021, +18,2 % in februari, +29,8 % in maart, +28,7 % in april, +34,9 % in mei en +13,8 % in juni).

    Herstel werkgelegenheid bijna wijdverbreid

    Terwijl het aantal werkenden (Instituut voor de Nationale Rekeningen - INR) in 2018 (+1,5 %) en 2019 (+1,6 %) met een jaarlijks percentage was gestegen, stak het coronavirus een stokje voor die dynamiek. Door de economische en gezondheidscrisis zijn er in 2020 echter weinig banen verloren gegaan: de beroepsbevolking is op jaarbasis met slechts 0,02 % gedaald. Sommige bedrijfstakken  vertonen niettemin een toename van het aantal werkenden in 2020, zoals menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening (+1,5 %) of vastgoedactiviteiten (+1,7 %). Twee activiteiten werden daarentegen vooral getroffen: onroerend goed en financiële activiteiten (-1,8 %, na twee opeenvolgende dalingen in 2018 en 2019) en groot- en detailhandel, vervoer, hotels en restaurants (-1,2 %). De ontwikkeling van het volume van de door werknemers gewerkte uren (INR) vertoont in 2018 en 2019 een vergelijkbaar profiel als dat van het aantal werknemers (+1,7 % en +1,4 %). Het totale volume van de werknemersarbeid krimpt echter meer in 2020 (-6,0 %) en bereikt -15,4 % in de overige dienstenactiviteiten of -11,6 % in de groot- en detailhandel, vervoer en hotels en restaurants. In alle bedrijfstakken (met uitzondering van landbouw, bosbouw en visserij) is het aantal door werknemers gewerkte uren het afgelopen jaar gedaald.

    In het eerste kwartaal van 2021 is het aantal werkenden in de economie als geheel met 0,2 % gestegen ten opzichte van het eerste kwartaal van 2020. In dezelfde periode daalde het aantal door werknemers gewerkte uren daarentegen met 1,2 % op jaarbasis, wat wijst op een minder gunstige situatie op de arbeidsmarkt. In het tweede kwartaal van 2021 is het aantal werknemers met 1,7 % gestegen. De grootste toename van de werkgelegenheid in het tweede kwartaal van 2021 ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder is toe te schrijven aan:

    • vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten, administratieve en ondersteunende diensten (+5,4 %)
    • informatie en communicatie (+2,9 %);
    • gezondheids-en welzijnszorg (+1,9 %).

    In twee sectoren is het aantal werknemers in een jaar tijd gedaald:

    • financiële activiteiten en verzekeringen (-1,1 %)
    • handel en vervoer en horeca (-0,1 %).

    Uit een vergelijking met de overeenkomstige periode twee jaar later blijkt dat de werkgelegenheidssituatie in het tweede kwartaal van 2021 positiever is (+1,4 %). Slechts drie sectoren vertonen nog een daling van de werkgelegenheid:

    • financiële activiteiten en verzekeringen (-2,9 %);
    • handel en vervoer en horeca (-1,5 %)
    • industrie, winning van delfstoffen en overige (-0,2 %).

    Wat de arbeidsmarkt betreft tonen de resultaten van de enquête over arbeidskrachten (EAK) voor het jaar 2020 dat de COVID-19-crisis een eerder beperkte impact had op de werkgelegenheid uitgedrukt in aantal werkende personen: de tewerkstellingsgraad daalde van 65,3 % in 2019 naar 64,7 % in 2020, terwijl de werkloosheidsgraad licht toename van 5,4 % in 2019 naar 5,6 % in 2020.

    Volgens de EAK, die een gedetailleerde uitsplitsing van de bedrijfstakken (NACE 4-cijfers) geeft, daalde de tewerkstelling in het eerste kwartaal van 2021 met 2,2 % op jaarbasis  en met 1 % over twee jaar. In het eerste kwartaal van 2021 viel het aantal werkenden procentueel gezien het sterkst terug in volgende sectoren:

    • Verschaffen van accommodatie en maaltijden (-40,3 % over een jaar, -43,5 % over twee jaar)
    • Overige diensten (-18,0 % over een jaar, -21,3 % over twee jaar)
    • Administratieve en ondersteunende diensten (-9,3 % over een jaar, -3,4 % over twee jaar)

    Na het uitbreken van de crisis, is de tewerkstelling in sommige sectoren toch toegenomen ten opzichte van 2019, zoals in:

    • Kunst, amusement en recreatie (-5,8 % over een jaar, +9,6 % over twee jaar)
    • Onderwijs (-2,4 % over een jaar, +3,0 % over twee jaar)
    • Vervoer en omslag (-0,2 % over een jaar, +0,7 % over twee jaar)

    De COVID-19-crisis had bovendien een sterke impact op de arbeidsduur, zoals blijkt uit de NIR-cijfers: van de werkende bevolking gaf 28,2 % aan minder dan gewoonlijk of helemaal niet gewerkt te hebben tijdens de bevraagde referentieweek.

    Volgens de laatste enquête van de ERMG (22 juni 2021) begaven zich 56 % van de werknemers naar hun werkplek (vooral in de detailhandel voeding en niet-voeding) terwijl 22 % volledig in telewerk was (voornamelijk in human resources, informatie en communicatie en in het vastgoed) en 16 % zich in een gemengde situatie bevond (vooral in de vrije beroepen en in de landbouw en visvangst). Het huidige aantal werknemers in tijdelijke werkloosheid vertoont een dalende trend, met 2 % tegenover 11 % een jaar eerder (volgens de bevraagde ondernemingen in de enquête van 23 juni 2020).

    Er moet worden opgemerkt dat vanaf 2001 personen in tijdelijke werkloosheid voor langer dan drie maanden niet meer bij de werkenden gerekend mogen worden, maar bij de werklozen of inactieven. Sinds februari 2020 kunnen Belgische bedrijven die getroffen zijn door COVID-19 een beroep doen op het systeem van tijdelijke werkloosheid. Volgens de gegevens van de RVA op 6 september 2021 hebben in augustus 2021 28.584 werkgevers een dergelijk verzoek ingediend, wat potentieel overeenkomt met een totaal van 133.307 werknemers, tegenover 39.593 werkgevers en 194.318 werknemers in juli 2021. Sinds maart 2021 zijn de tijdelijke werkloosheidsclaims gedaald. Het aantal tijdelijke werklozen was in augustus 2021 (133.307) lager dan in juli, en wordt daarmee het laagste sinds het begin van de crisis. Het laagste aantal vóór juli 2021 was 248.294 tijdelijke werklozen in september 2020. De volgende activiteiten vertegenwoordigen de sectoren met het hoogste aantal tijdelijke werkloosheidsclaims als percentage van het totale aantal claims in augustus 2021:

    • diensten in verband met gebouwen; landschapsverzorging (NACE 81) (15,46 %),
    • eet- en drinkgelegenheden (NACE 56) (7,72 %),
    • vervaardiging en assemblage van motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers (NACE 29) (6,18 %).

    Herstart van de industriële bedrijvigheid

    De industriële productie daalde in 2020 met gemiddeld 3,6 % op jaarbasis, na in 2019 met 2,9 % te zijn gegroeid.

    Na het herstel dat in het laatste kwartaal van 2020 is ingezet (+1,4 %), lijkt de productiegroei van de verwerkende industrie sinds het eerste kwartaal van dit jaar te zijn versneld in vergelijking met de overeenkomstige kwartalen van 2020 (+7,2% in het eerste kwartaal en +26,3 % in het tweede kwartaal). Die aanhoudende groei in het tweede kwartaal is het resultaat van de jaar-op-jaarverandering in de productie van investeringsgoederen (+20,4 %), duurzame consumptiegoederen (+28,6 %), intermediaire goederen (+20,3 %) en niet-duurzame consumptiegoederen (+45,0 %).

    Evolutie van het BBP: onze economie zit terug op het groeipad

    Het reële bruto binnenlands product (bbp) is in het tweede kwartaal van 2021 met 1,7 % gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal en met 14,9 % ten opzichte van het tweede kwartaal van 2020. Het niveau van de economische activiteit ligt echter nog steeds onder het niveau van vóór de coronacrisis. In vergelijking met het vierde kwartaal van 2019 is de ontwikkeling namelijk nog steeds negatief (-2,2 %). De groei in het tweede kwartaal van 2021 (kwartaalkoers) wordt met name verklaard door een toename van de toegevoegde waarde in de industrie (+1 %), de bouwnijverheid (+0,5 %) en de dienstensector (+1,7 %).

    Prognoses voor het bbp

    Het Federaal Planbureau voorspelt in zijn prognoses van 10 juni 2021 een groei van het Belgische bbp met 5,5 % in 2021 (tegenover +4,1 % volgens de vorige raming van februari 2021) en met 2,9 % in 2022, na een forse daling met 6,3 % in 2020 (de meest uitgesproken daling sinds de Tweede Wereldoorlog). In 2021 zal de verwachte groei steunen op de positieve bijdragen van alle componenten van de globale vraag, zowel de buitenlandse als de binnenlandse vraag. In weerwil van de negatieve bijdragen van de overheidsuitgaven en van het handelssaldo zal de groei van het bbp in 2022 nog kunnen putten uit de steun van de investeringen en finale consumptiebestedingen van de particulieren.

    De cijfers van het IMF (World Economic Outlook, april 2021) voorspellen voor de Belgische economie een toename van het bbp met 4,0 % in 2021 en met 3,1 % in 2022, terwijl de OESO in haar Economic Outlook van mei 2021 schat dat het  Belgische bbp zou toenemen met +4,7 % in 2021 en met +3,5 % in 2022. 

    In haar lenteprognose (mei 2021) voorziet de Europese Commissie in een groei van het Belgische bbp van 4,5 % (tegen 3,9 % in de prognose van februari) in 2021 en 3,7 % (3,1 % in februari) in 2022.

    Hoe het virus de wereldeconomie treft

    China, waar de epidemie uitbrak, werd als eerste land economisch sterk geraakt door het coronavirus. Het land is sterk verweven in de globale waardeketens en groeide de afgelopen decennia uit tot een belangrijke economische wereldspeler. China werd de 2e grootste mondiale economie met een aandeel van 16,35 % in het wereldwijde bbp en een marktaandeel van 13,25 % in de wereldwijde goederenuitvoer. De PMI, de index van de aankoopmanagers van IHS Markit (PMI = purchasing managers index) wijst op een lichte achteruitgang van de economische activiteit in China: de algemene PMI-gegevens voor de verwerkende industrie (General Manufacturing PMI) van augustus 2021 (49,2 tegen 50,3 in juli 2021) wijzen op een lichte verslechtering van de productieomstandigheden. Anderzijds viel de Chinese PMI-index voor algemene diensten (China General Services PMI) terug van 54,9 in juli 2021 tot 46,7 in augustus. Gezien de recente opleving van het aantal gevallen van COVID-19 in China en het belang van China als motor van de wereldwijde economische bedrijvigheid, is een risico dat ook andere geografische zones hier de gevolgen van ondervinden.

    De PMI-indexcijfers voor de totale bedrijvigheid in de eurozone laten nog steeds een sterke groei van de bedrijvigheid in de particuliere sector zien, ondanks een lichte vertraging in augustus (59 in augustus 2021 tegen 60,2 in juli 2021 (een niveau boven de drempel van 50 waarboven de sector groeit)). De verwerkende industrie blijft de drijvende kracht achter de groei in de eurozone, ondanks de lichte daling tot 61,4 in augustus, tegen 62,8 in juli. Aan de dienstenzijde kwam de index in augustus uit op 59 tegen 59,8 in juli.

    In zijn World Economic Outlook van april 2021 voorspelt het FMI voor de wereldeconomie een groei van het bbp met 6 % in 2021, gevolgd door een vertraging naar 4,4 % in 2022. Het bbp van de eurozone zou van zijn kant groeien met 4,4 % in 2021 en met 3,8 % in 2022. De Verenigde Staten en China zullen respectievelijk een groeicijfer optekenen van 6,4 % en 8,4 % in 2021 en van 3,5 % en 5,6 % in 2022. De Europese Commissie van haar kant meent (mei 2021) dat de COVID-19-crisis een zeer grote negatieve economische impact op de EU en de eurozone heeft gehad in 2020 en dat de directe impact ervan tot een daling heeft geleid van het reële bbp van de EU (-6,1 %) en van de eurozone (-6,6 %). In 2021 en 2022 verwacht de Europese Commissie respectievelijk een herstel van +4,2 % en 4,4 % voor de EU en van +4,3 % en 4,4 % voor de eurozone. In alle lidstaten zou de economie tegen eind 2020 zijn peil van voor de crisis terugvinden. Volgens de economische prognoses van de OESO van mei 2021 zal de wereldeconomie groeien met 5,8 % in 2021 en met 4,4 % in 2022. Het bbp van de eurozone zou groeien met 4,3 % in 2021 en met 4,4 % in 2022. De verwachte groei in 2021 voor Frankrijk (+5,8 %) en Italië (+4,5 %) liggen boven die voor de Duitse economie (+3,0 %). In 2022 is de verwachte groei voor Duitsland gelijk aan die van Italië (+4,4 %), maar hoger dan die van Frankrijk (4,0 %). Voor de Verenigde Staten verwacht de OESO een groei van het bbp met +6,9 % in 2021 en met +3,6 % in 2022. Voor China liggen de groeivooruitzichten bij +8,5 % in 2021 en +5,8 % in 2022.

    Deze analyse werd afgesloten op 10 september  2021.

    De FOD Economie volgt de economische ontwikkelingen als gevolg van het coronavirus op de voet op basis van de officiële statistieken en werkt deze analyse regelmatig bij. 

    Laatst bijgewerkt
    28 september 2021