De wetgever heeft recent in het Belgische mededingingsrecht de misbruiken van economische afhankelijkheid verboden (nieuw artikel IV.2/1 van het Wetboek van economisch recht).

Deze misbruikpraktijken worden gekenmerkt door een onevenwicht in de posities van ondernemingen en worden doorgaans (maar niet uitsluitend) vastgesteld in de relaties tussen 'producent-leverancier-distributeur-klant'.

Met economische afhankelijkheid wordt een situatie bedoeld waarin een onderneming een zekere marktmacht bezit die haar in staat stelt om een relatieve dominantie uit te oefenen op haar partners en om prestaties en voorwaarden op te leggen die ze niet zou kunnen opleggen zonder deze marktmacht (evenwel zonder een machtspositie te hebben).

De onderneming in een positie van economische afhankelijkheid beschikt op haar beurt niet over een redelijk equivalent alternatief, beschikbaar binnen een redelijke termijn, onder redelijke voorwaarden en tegen redelijke kosten. Bepaalde factoren die nuttig zijn voor de beoordeling van de economische afhankelijkheid zijn opgesomd in de parlementaire werkzaamheden van de wet van 4 april 2019 (Doc. 54 1451/003, p. 4).

Talrijke ondernemingen werken samen met partners die een belangrijke marktmacht hebben, in relaties van onderaanneming, franchise, exclusieve verkoopconcessie, distributiesysteem, enz. Het economisch afhankelijk houden van een onderneming is als zodanig niet verboden. Enkel het misbruik van een dergelijke positie, dat de mededinging kan aantasten, is verboden.

Het verbod op economische afhankelijkheid is onderworpen aan drie voorwaarden:

  • het bestaan van een positie van economische afhankelijkheid;
  • een misbruik van deze positie;
  • een mogelijke of werkelijke aantasting van de mededinging op de Belgische markt of op een deel ervan.
Laatst bijgewerkt
26 september 2019