Table of Contents

    Er bestaat geen algemene wettelijke regeling over het eigenaarschap van het octrooirecht op uitvindingen die door werknemers of ambtenaren worden gerealiseerd.

    Sommige overheden hebben wel een eigen regeling in het personeelsstatuut uitgewerkt en in Vlaanderen bestaat ook een decretale regeling voor uitvindingen aan universiteiten en hogescholen (zie artikel IV.48 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs). In grote lijnen bepalen die regelingen dat de rechten toekomen aan de overheid resp. universiteit of hogeschool.

    Voor andere werknemers en ambtenaren zullen respectievelijk de arbeidsovereenkomst of het statuut het antwoord moeten bieden. Opdat de werkgever of overheid de rechten op de uitvinding rechtsgeldig kan verwerven, dient dit best uitdrukkelijk te worden voorzien. Aan een dergelijke contractuele regeling wordt, bij het ontbreken van een wettelijke regeling, normaal de voorrang gegeven.

    Indien er geen duidelijke schriftelijke regeling bestaat, moet de rechtbank uitspraak doen bij betwisting. Om te bepalen aan wie - werkgever of werknemer - de rechten toekomen, zal de rechter normaal een onderscheid maken tussen drie categorieën van uitvindingen:

    • Dienstuitvindingen: Die zijn het resultaat van een onderzoekstaak die tot de normale (of speciaal opgedragen) taken van de werknemer behoort. De werkgever zal de rechten op deze uitvinding verwerven. Wel heeft de werknemer het morele recht van vaderschap.

    • Afhankelijke uitvindingen: er is een aantoonbaar verband tussen de activiteiten van het bedrijf en de uitvinding. De werknemer doet zijn uitvinding dankzij een inbreng van de werkgever zoals het gebruik van machines, ruimte of knowhow, al dan niet met zijn toestemming.

      Het is niet duidelijk wie dan eigenaar wordt van de uitvinding. De rechtspraak wijst deze soms toe aan de werknemer, soms ook aan de werkgever. Zelfs indien de werknemer eigenaar wordt, zal hij vaak de uitvinding niet ten volle kunnen exploiteren omwille van verplichtingen inzake fabrieksgeheimen of toepassing van het arbeidsovereenkomstenrecht. 

      Het recht van vaderschap blijft uiteraard bij de werknemer.

    • Vrije uitvindingen: uitvindingen op eigen initiatief, met eigen middelen en buiten de werkuren. Daar er geen inbreng van de werkgever is, spreekt het voor zich dat de werknemer ten volle eigenaar zal zijn van de uitvinding.
    Laatst bijgewerkt
    15 januari 2018