Table of Contents

    Volgens de Belgische wetgeving betreffende het auteursrecht komt het auteursrecht op de werken die door werknemers of ambtenaren zijn gemaakt in het kader van hun gewone taken niet automatisch toe aan de werkgever. Er is een uitdrukkelijke schriftelijke overdracht van de rechten vereist opdat de werkgever houder zou worden van de auteursrechtelijke vermogensrechten, dus van het recht op exploitatie van het werk. Indien een vraag rijst naar de eigendom van de auteursrechten op creaties die tot stand zijn gekomen in het kader van de arbeidsrelatie, moet dus in eerste instantie worden nagegaan wat er precies in de arbeidsovereenkomst of het statuut (of in andere overeenkomsten of documenten, bv. het arbeidsreglement) werd afgesproken.

    Hetzelfde geldt voor de naburige rechten van de uitvoerende kunstenaars.

    De enige uitzonderingen op die regel hebben betrekking op computerprogramma's en databanken. Wanneer die specifieke werken worden gemaakt in het kader van een arbeidsovereenkomst, wordt de werkgever geacht houder van het auteursrecht te zijn.

    Een deels vergelijkbare situatie bestaat voor auteursrechtelijk beschermde werken die ter uitvoering van een bestelling worden gemaakt. Bedrijven die bijvoorbeeld de uitwerking van hun logo, website of nieuwsbrief uitbesteden aan een onafhankelijk bureau, doen er goed aan om een waterdichte overeenkomst op te stellen over wie het auteursrecht op de bestelde creatie zal verkrijgen. Is er geen overeenkomst afgesloten, dan geldt de basisregel die bepaalt dat de auteursrechten toekomen aan de maker. De inhoud van de overeenkomst zal overigens verschillen naargelang de creatie zich binnen of buiten de culturele sector of reclamesector situeert.

    Laatst bijgewerkt
    13 november 2020