Table of Contents
Energiearmoede is een structureel probleem dat een grote impact heeft op de kwetsbare huishoudens (in het bijzonder werklozen, eenoudergezinnen en alleenstaanden). Het is daarom cruciaal om over indicatoren te beschikken die
- het risico op energiearmoede identificeren
- de realiteit van die armoede in de praktijk meten
- het beleid ter bestrijding van energiearmoede doeltreffend sturen
Het koninklijk besluit van 19 april 2024 werd opgesteld om die uitdaging te beantwoorden. Het maakt het mogelijk criteria vast te stellen waarmee het aantal huishoudens in een situatie van energiearmoede kan worden geëvalueerd.
Wat is energiearmoede?
Energiearmoede wordt gedefinieerd als het gebrek aan toegang van een huishouden tot essentiële energiediensten die de basis vormen voor een behoorlijke levensstandaard en gezondheid, binnen een relevante nationale context en gezien bestaand sociaal en ander relevant nationaal beleid. Die essentiële energiediensten omvatten voldoende verwarming, warm water, koeling, verlichting en energie voor apparaten. Dat gebrek aan toegang tot essentiële energiediensten is een gevolg van een combinatie van factoren, waaronder ten minste
- onbetaalbaarheid
- onvoldoende besteedbaar inkomen
- hoge energie-uitgaven
- slechte energie-efficiëntie van woningen
De huidige definitie van energiearmoede werd in richtlijn 2023/1791, artikel 2, lid 52 vastgesteld.
Voor een duurzame en eerlijke energietransitie moet er aandacht worden besteed aan energiearmoede. Hiervoor is het van belang dat we de huishoudens die risico lopen op energiearmoede in kaart brengen. Dat doen we op basis van indicatoren die werden vastgelegd in het koninklijk besluit van 19 april 2024 . Die indicatoren werden bepaald op basis van de indicatoren in de Barometer energiearmoede gepubliceerd door de Koning Boudewijnstichting. De laatste publicatie van de Barometer dateert van 2024 en richt zich op cijfers van 2022.
Methodologie van de energiearmoede-indicatoren
Sinds begin 2025 wordt de methodologie achter de energiearmoede-indicatoren bediscussieerd binnen een werkgroep opgericht door het Interfederaal Instituut voor de Statistiek ter opvolging van de Sustainable Development Goals (SDG’s). Die discussies focussen op de methodologie en de onderliggende uitgangspunten van die verschillende indicatoren. Ze hebben geleid tot aanpassingen in de berekeningsmethode, waardoor er verschillen zijn ontstaan met de historische cijfers van de Barometer Energiearmoede. Die situatie heeft een directe vergelijking met de resultaten in de Barometer bemoeilijkt. Om dat probleem op te lossen, worden bij de volgende herziening van deze pagina historische gegevens opgenomen, die volgens de meest recente methodologie zijn berekend. Aangezien de auteurs van de Barometer deel uitmaken van die werkgroep, wordt in de toekomstige edities van de Barometer voortaan rekening houden met de aangepaste methodologie, waardoor alle verschillen verdwijnen.
Energiearmoede-indicatoren in 2024
Drie indicatoren worden opgesteld die verschillende soorten risico’s op energiearmoede reflecteren:
- zeer hoge energierekening in verhouding tot het beschikbare inkomen: het risico op gemeten energiearmoede;
- zeer lage energierekening in vergelijking met vergelijkbare huishoudens: het risico op verborgen energiearmoede;
- financiële moeilijkheden om voldoende te verwarmen: subjectieve energiearmoede.
Die indicatoren worden hieronder verder besproken.
Om die indicatoren toe te passen wordt gebruikgemaakt van gegevens uit de SILC-enquête, uitgevoerd door Statbel. Dat is een jaarlijkse enquête over de evolutie van het inkomen en levensomstandigheden van 10.000 Belgische huishoudens. Alleen huishoudens die tot de vijf laagste equivalente inkomensdecielen behoren, worden in aanmerking genomen bij de berekening van het risico op energiearmoede. We gaan ervan uit dat huishoudens in de vijf hoogste equivalente inkomensdecielen in staat zijn om zich te weren tegen het risico op energiearmoede.
De resultaten worden getoond in figuur 1 en hieronder verder besproken.
Risico op gemeten energiearmoede
In 2024 werd 14,8 % van de huishoudens getroffen door het risico op gemeten energiearmoede. Onder het risico op gemeten energiearmoede vallen de huishoudens die een groot deel van hun beschikbaar inkomen besteden aan hun energiefactuur. Meer specifiek beschouwen we huishoudens waarvan de verhouding energiekost op beschikbaar inkomen meer dan tweemaal de mediane verhouding is van alle huishoudens. Het beschikbare inkomen betreft in die context het verschil tussen het maandelijkse inkomen van een huishouden (bijvoorbeeld loon, opbrengsten uit investeringen, werkloosheidsuitkeringen en pensioenen) en de huisvestingskost (zoals huur of afbetaling hypotheek).
Risico op verborgen energiearmoede
Het risico op verborgen energiearmoede trof 2,6 % van de huishoudens in 2024. Dat risico op verborgen energiearmoede omvat huishoudens waarvan we vermoeden dat ze hun energieverbruik verminderen tot onder hun basisbehoeften. Hun energiefactuur ligt dus veel lager dan die van vergelijkbare huishoudens. Meer bepaald gaat het om huishoudens met een maandelijkse energiekost die minder dan de helft bedraagt van de mediane energiekost van vergelijkbare huishoudens.
Subjectieve energiearmoede
De derde indicator, subjectieve energiearmoede, toont aan dat in 2024, 4,1 % van de huishoudens aangaf financiële moeite te hebben hun woning voldoende warm te houden in de winter. We kijken hier naar het antwoord op de vraag aan huishoudens of ze de financiële mogelijkheid hebben om hun woning voldoende warm te houden in de winter.
Risico op totale energiearmoede
Als een huishouden onder ten minste één van die drie indicatoren valt, wordt die opgenomen onder huishoudens met een risico op totale energiearmoede. Ze lopen met andere woorden een risico op energiearmoede. Bijgevolg is het totale risico op energiearmoede gelijk aan 19,7 % van de Belgische huishoudens. Dat betekent dat bijna één op de vijf huishoudens in 2024 risico loopt op een vorm van energiearmoede.
Overlap tussen de energiearmoede-indicatoren
Het is mogelijk dat er overlap is tussen de huishoudens die getroffen worden door een van de drie soorten energiearmoede. Er kunnen namelijk huishoudens zijn die terechtkomen in meerdere vormen van energiearmoede.
Figuur 2 toont dat 9 % van de huishoudens die risico lopen op energiearmoede te maken hebben met meerdere vormen van energiearmoede. Bovendien loopt 41 % van de huishoudens in subjectieve energiearmoede ook risico op gemeten of verborgen energiearmoede.
Analyse van energiearmoede
Er worden verschillende analyses uitgevoerd over de diepte van energiearmoede en het verband tussen de energiearmoede-indicatoren en andere armoede-indicatoren.
Risico op energiearmoede en armoede-indicatoren
We maken een vergelijkende analyse tussen het risico op energiearmoede en andere armoede-indicatoren (monetair armoederisico, lage werkintensiteit, ernstige materiële en sociale deprivatie en risico op armoede of sociale uitsluiting) met behulp van kruistabellen. De hier gepubliceerde cijfers verschillen van de cijfers gepubliceerd door Statbel op het vlak van armoede-indicatoren, omdat Statbel het risico op armoede of sociale uitsluiting op individueel niveau berekent en niet op huishoudelijk niveau.
Ten eerste kijken we naar huishoudens met een monetair armoederisico (AROP). In 2024 bevond 12,2 % van de Belgische huishoudens zich in een situatie van armoederisico. Dat betekent dat hun inkomen lager lag dan 60 % van het nationale equivalent mediaan inkomen. 7,5 % van alle huishoudens loopt zowel een armoederisico en een risico op energiearmoede. Bijgevolg kampt 61,3 % van de huishoudens met een armoederisico, ook met een risico op energiearmoede.
Ten tweede, kijken we naar huishoudens die in een situatie van lage werkintensiteit (LWI) leven. In 2024 bevond 15,3 % van de huishoudens in België zich in die situatie. Bijna de helft (45,7 %) van die huishoudens loopt ook risico op energiearmoede. Voor de variabele lage werkintensiteit (LWI) worden enkel huishoudens in beroepsmatige leeftijd in rekening genomen. Bijgevolg berekenen we hier het percentage van huishoudens met een risico op energiearmoede ook enkel voor huishoudens in beroepsmatige leeftijd.
Een derde vergelijking wordt gemaakt tussen energiearmoede en ernstige materiële en sociale deprivatie (SMSD). In 2024 leefde 6,5 % van de Belgische huishoudens in ernstige materiële en sociale deprivatie. Hier lopen meer dan de helft (55,0 %) van die huishoudens ook een risico op energiearmoede.
Ten slotte zijn we geïnteresseerd in het risico op armoede of sociale uitsluiting (AROPE). 20,3 % van de Belgische huishoudens liep een risico op armoede en sociale uitsluiting in 2024. Iets meer dan de helft (50,8 %) van hen liep ook een risico op energiearmoede.
Figuur 3 toont dat er voor een groot deel van de huishoudens een verband is tussen een situatie van algemene armoede en energiearmoede.
Het verband tussen algemene armoede en energiearmoede is het grootst voor subjectieve energiearmoede. 68,0 % van de huishoudens met subjectieve energiearmoede bevinden zich ook in minstens één van de situaties geïdentificeerd met de armoede-indicatoren. Voor het risico op gemeten en verborgen energiearmoede is dat respectievelijk 52,9 % en 43,1 % van de huishoudens.
Risico op energiearmoede en energiekost
Vervolgens vergelijken we het risico op energiearmoede en de energiekost.
Het eerste luik van figuur 4 toont de diepte van de gemeten energiearmoede. Het is een vergelijking van de energiekost in verhouding tot het beschikbare inkomen tussen huishoudens met een risico op gemeten energiearmoede en alle huishoudens. In 2024 besteedden huishoudens met een risico op gemeten energiearmoede gemiddeld 83,3 euro meer per maand aan hun energiefactuur in vergelijking met alle huishoudens.
De diepte van verborgen energiearmoede toont hoeveel Belgische huishoudens met een risico op verborgen energiearmoede minder betalen aan hun energiefactuur dan vergelijkbare huishoudens. In 2024 was dit bedrag gemiddeld 110,1 euro per maand.
Bovendien, geeft in 2024 3,5 % van de huishoudens aan dat ze in de laatste 12 maanden een van de rekeningen voor elektriciteit, water, gas of verwarming niet op tijd konden betalen. Van die huishoudens heeft 53,1 % ook te maken met een risico op energiearmoede.
Figuur 5 geeft de verhouding weer van de energiekost op het maandelijkse inkomen weer voor
- alle huishoudens
- de huishoudens voor elke soort energiearmoede
- de huishoudens in de laagste vijf equivalente inkomensdecielen
- de huishoudens uit de hoogste vijf equivalente inkomensdecielen
In vergelijking met alle huishoudens (6,2 %), besteedden huishoudens met een risico op energiearmoede in 2024 een hoger percentage van hun maandelijks inkomen aan hun energiekost (10,5 %). Dat is voornamelijk het geval voor huishoudens met een risico op gemeten energiearmoede, zij besteedden 13,6 % van hun maandelijks inkomen aan hun energiekost. Dat percentage ligt zeer laag voor huishoudens met een risico op verborgen energiearmoede (2,5 %), net omdat zij gekenmerkt zijn door hun zeer lage energiekost. We leren ook dat huishoudens uit de laagste equivalente inkomensdecielen procentueel meer aan hun energiekost besteden dan de rijkere huishoudens, respectievelijk 7,0 % en 3,2 %.
Risico op energiearmoede en huisvesting
Ten slotte bestuderen we de verhouding tussen het risico op energiearmoede en de kwaliteit van huisvesting. In 2024 wonen 14,6 % van de Belgische huishoudens in een huisvesting van slechte kwaliteit. Ongeveer één vierde (24,6 %) van die huishoudens loopt een risico op energiearmoede. Het verband is het sterkst voor huishoudens met subjectieve energiearmoede. 35 % van hen wonen in een woning van slechte kwaliteit. Voor de huishoudens met een risico op gemeten of verborgen energiearmoede is dat percentage wat lager. Van die huishoudens wonen respectievelijk 16,8 % en 13,3 % in een woning van slechte kwaliteit. De relatie tussen energiearmoede en huisvestingskwaliteit wordt ook getoond in het rechterdeel van figuur 6. Daaruit blijkt dat van de huishoudens die in een (behoorlijk) kwaliteitsvolle woning woonden, 18,9 % een risico liep op energiearmoede in 2024, tegenover 24,6 % van de huishoudens die in een huisvesting van slechte kwaliteit woonden.
Sociale maatregelen
Met betrekking tot de problematiek van energiearmoede bestaan er een reeks overheidsmaatregelen die huishoudens proberen te helpen bij het betalen van hun energiefactuur.