Table of Contents

    De belangrijkste aardolieproducten die aan de eindverbruikers worden verkocht, zijn motorbrandstoffen (benzine, diesel) en vloeibare brandstoffen (stookolie).

    In België geldt voor elk aardolieproduct een maximumprijs. Het is dus niet toegelaten om het te verkopen aan een prijs die hoger is dan de vastgestelde maximumprijs.

    De maximumprijs wordt berekend in functie van de bepalingen die zijn vastgelegd door de programma-overeenkomst tussen de Belgische Staat en de Belgische Petroleum Federatie (BPF), de officiële vertegenwoordiger van de voornaamste petroleummaatschappijen die actief zijn in de raffinage, marketing, distributie en opslag in België. De Belgische Petroleum Federatie (BPF) is de officiële woordvoerder van de voornaamste petroleummaatschappijen die actief zijn in de raffinage en de distributie in België. Ze vertegenwoordigt 14 leden waarvan 4 raffinaderijen, 7 ondernemingen actief in de distributie van petroleumproducten, en 3 stockagebedrijven. Op deze manier dekt de BPF 100 % van de raffinagecapaciteit en bijna 80 % van de verkoop van brandstoffen in België. (www.petrolfed.be).

    Het doel van deze overeenkomst is de bevoorrading van aardolieproducten in België te waarborgen en de volatiliteit van de consumentenprijzen van deze producten te beperken.

    De rol van de FOD Economie

    De Algemene Directie Energie van de FOD Economie berekent elke werkdag de maximale prijzen van de afgewerkte producten (benzine, diesel, gasolie, petroleumgas, lamppetroleum en residuele stookolie) volgens de bepalingen van de programma-overeenkomst.

    Zij publiceert vervolgens deze prijzen op de website van de FOD, en verspreidt deze ook per e-mail en fax.
    Wilt u deze informatie gratis krijgen? Registreer u dan bij de FOD Economie via Petrol.Prices@economie.fgov.be.

    Meer informatie over de maximumprijs en de samenstelling van deze maximumprijs.

    De programma-overeenkomst

    De programma-overeenkomst betreft een overeenkomst tussen de ministers van Economie en Energie en de Belgische Petroleum Federatie (BPF). De programma-overeenkomst bepaalt voor de meest courante aardolieproducten de maximumprijzen en de manier waarop deze prijzen kunnen wijzigen. De programma-overeenkomst is van toepassing op de verkoop aan de eindgebruiker.

    De programma-overeenkomst bestaat uit een hoofdovereenkomst die het algemeen kader schetst waarbinnen de maximumprijzen dienen te worden bepaald. Bij de programma-overeenkomst hoort een "Technische bijlage" waarin de prijsformules zijn gedefinieerd op basis waarvan de maximumprijs voor de belangrijkste aardolieproducten wordt bepaald. Deze technische bijlage kan op elk moment worden aangepast via een zogenaamd “avenant” als beide partijen akkoord zijn. Daarmee kan snel ingespeeld worden op gewijzigde productspecificaties of wijzigingen van andere parameters. 

    De programma-overeenkomst heeft een looptijd van drie jaar die stilzwijgend kan worden verlengd voor opnieuw drie jaar. Zij kan op elk ogenblik door elke partij worden opgezegd op voorwaarde van een vooropzeg van 12 maanden vanaf de datum van opzegging.

    De eerste programma-overeenkomst dateert van 1974 en is het gevolg van de oliecrisis begin jaren 70. Na de eerste oliecrisis in 1973 kwam de bevoorrading van België in gevaar als gevolg van de trage aanpassing van de maximumprijzen van de aardolieproducten aan de evolutie op de globale markt. Aanpassingen van de prijzen dienden in die tijd door de Prijzencommissie goedgekeurd te worden. Deze weinig flexibele procedure leidde tot een verschil tussen enerzijds de olienoteringen op de internationale markten (= maatstaf voor de aankoopprijs van aardolieproducten) en anderzijds de verkoopprijzen waartegen de producten konden worden verkocht op de Belgische markt.

    In 1974 ontwikkelde de overheid daarom een nieuw mechanisme waardoor de schommelingen van de noteringen van de aardolieproducten op de internationale markten zich automatisch vertalen naar een maximumprijs aan de pomp.

    De prijsstructuur van aardolieproducten

    Het basisprincipe is dat de prijsstructuur rekening houdt met alle relevante kosten in de totale toeleveringsketen.

    De Algemene Directie Energie berekent de maximumprijs van de volgende aardolieproducten:

    • benzine (95 RON E5, 95 RON E10, 98 RON E5, 98 RON E10),
    • gasolie diesel wegvervoer (B7, B10, B20 en B30),
    • residuele stookolie 1,0 % S,
    • gasolie verwarming 50 S
    • gasolie Diesel verwarmingsdoeleinden, landbouwdoeleinden en I&C doeleinden,
    • lpg,
    • propaan
    • lamppetroleum (type A, B en C).

    Voor de producten gasolie verwarming 50 S, gasolie diesel verwarmingsdoeleinden, landbouwdoeleinden en I&C doeleinden en lamppetroleum type C, bestaat er een maximumprijs voor leveringen vanaf 2.000 liter en voor leveringen van minder dan 2.000 liter.

    Voor de producten gasolie verwarming 50 S, gasolie diesel I&C doeleinden en lamppetroleum type C bestaat er bovendien ook een afzonderlijke maximumprijs indien ze verkocht worden via een tankstation.

    De maximumprijzen zijn niet noodzakelijk de finale verkoopprijs die de eindgebruiker betaalt. Vaak geven verkopers van aardolieproducten een korting op het maximumtarief. De verkopers zijn verplicht om de toegepaste korting te afficheren ten opzichte van de maximumprijs.

    De volgende elementen worden in acht genomen bij de berekening van de maximumprijs van elk product.

    De prijs van het geraffineerd product is afhankelijk van de notering van het afgewerkt product op de markt van Rotterdam. Deze wordt uitgedrukt in dollar per ton en omgezet in euro per 1.000 liter.

    Als noteringen in de programma-overeenkomst worden voor de berekening van de maximumprijs de noteringen van Argus gebruikt. Argus is een referentiecentrum voor energieprijzen dat dagelijks de indicatieve noteringen van afgewerkte producten op de belangrijkste wereldmarkten publiceert.

    Hierbij komen de transportkosten voor het traject Rotterdam-Antwerpen, het vervoer naar de Belgische raffinaderijen (steeds via Rotterdam) en de verzekeringen en verliezen.

    De programma-overeenkomst legt een maximale brutodistributiemarge per product vast.

    De maximale brutomarge die aan oliebedrijven wordt toegekend, dekt de distributiekosten en de logistieke kosten om het product tot bij de eindgebruiker te brengen.

    Deze kosten omvatten het vervoer vanaf de raffinaderij naar de opslagplaats, de opslag, het transport naar de tankstations, de distributie bij de tankstations, de distributie van gasolie voor verwarming aan klanten, de marketing en promotie.

    De distributiemarge wordt tweemaal per jaar geïndexeerd, nl. op 1 april en op 1 oktober.

    Aan de dagprijs worden vervolgens de wettelijke lasten toegevoegd:

    • de bijdrage voor APETRA,
    • de bijdrage voor BOFAS, en
    • de bijdrage voor Sociaal Verwarmingsfonds Stookolie.

    De bijdrage voor APETRA is een bijdrage voor verplichte voorraden. Deze bijdrage dient voor de financiering van de maatschappij APETRA (Agence pétrolière – Petroleumagentschap) dat verantwoordelijk is voor het aanhouden van de strategische voorraden van ruwe aardolie en aardolieproducten van België. Deze voorraden zorgen voor de bevoorrading van België in geval van crisis. De bijdrage wordt 4 keer per jaar geïndexeerd: op 1 april, 1 juli, 1 oktober en 1 januari.

    De bijdrage voor BOFAS is een bijdrage aan het bodemsaneringsfonds voor tankstations in België. Deze bijdrage is enkel van toepassing op de maximumverkoopprijs van benzine en diesel bestemd voor de eindgebruiker. Zij dient voor de financiering van het BOFAS-fonds dat operationele en financiële hulp biedt aan tankstations die hun bodem saneren.

    De bijdrage voor het Sociaal Verwarmingsfonds Stookolie wordt enkel geïntegreerd in de maximumprijs van propaan (in bulk en in fles), lamppetroleum en gasolie verwarming. Deze dient enkel voor de gedeeltelijke financiering van de verwarmingsfactuur van gezinnen met een bescheiden inkomen.

    De accijnzen op energieproducten vormen vaste belastingen (vast bedrag per product in absolute waarde). Ze zijn niet afhankelijk van de prijs van het afgewerkt product. Ze vertegenwoordigen een groot deel van de totale maximumprijs, vooral voor benzine en diesel.

    Daarbovenop komt 21 % btw op de som van alle voorgaande posten, inclusief de accijnzen.

    officiële tarieven van de maximumprijzen

    Laatst bijgewerkt
    31 maart 2020