Table of Contents

    Beleid in geval van een oliecrisis

    In geval van een internationale aardoliecrisis zal België, in samenspraak met de relevante internationale instanties – het Internationaal Energieagentschap (IEA) en de Europese Commissie (EC) – de aan haar gevraagde rol opnemen. Zowel het IEA als de EC kunnen aan België vragen om de veiligheidsvoorraden in te zetten teneinde de gevolgen van een aardoliecrisis zoveel mogelijk te beperken.

    In geval van een nationale of lokale aardoliecrisis zal België actief maatregelen nemen om de aardoliecrisis zoveel mogelijk in te dijken, de impact op de samenleving en de economie te beperken en de bevoorrading van aardolie  zo snel mogelijk te normaliseren.

    De Algemene Directie Energie heeft, in samenwerking met APETRA, antwoorden geformuleerd op vaak gestelde vragen.

    Wetgeving

    De Algemene Directie Energie van de FOD Economie is verantwoordelijk voor het opstellen en actueel houden van de relevante wetgeving met betrekking tot het beheer van een aardoliecrisis. 

    De nationale wetgeving vloeit voort uit de internationale verplichtingen van België, enerzijds de ‘Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma’ van het Internationaal Energieagentschap en de Europese richtlijn 2009/119. De belangrijkste verplichtingen zijn het oprichten van een nationaal coördinatieorgaan, het zogenaamde Nationaal Oliebureau, en het aanhouden van veiligheidsvoorraden.

    Nationaal Oliebureau (NOB)

    Het beheer van een (potentiële) aardoliecrisis ligt in handen van de minister van Energie, die geadviseerd wordt door het Nationaal Oliebureau (NOB). Het NOB is een crisisorgaan dat enkele permanente taken heeft, zoals het opvolgen van de Belgische en globale aardoliemarkt. In geval van een aardoliecrisis monitort het NOB de situatie en adviseert het NOB de minister over de te nemen maatregelen.             
    Het dagdagelijkse beheer van het NOB wordt toevertrouwd aan de Algemene Directie Energie van de FOD Economie.

    In een potentiële crisissituatie analyseert het NOB de situatie op de nationale en internationale aardoliemarkten en heeft het NOB een overzicht van de beschikbare commerciële en veiligheidsvoorraden, de aardolieoperatoren en hun infrastructuur. Het NOB wordt in zijn taken bijgestaan door experten die een grondige kennis hebben van de aardoliesector. Het NOB adviseert de minister over de te nemen maatregelen in geval van een aardoliecrisis. Het NOB verzorgt ook de communicatie met het Internationaal Energieagentschap, de Europese Commissie en individuele landen.

    Veiligheidsvoorraden

    Als lid van zowel het Internationaal Energieagentschap (IEA) als de Europese Unie (EU) heeft België de verplichting om over veiligheidsvoorraden te beschikken om te voldoen aan de verplichtingen van beide internationale instanties. Beide instanties hebben deze verplichting ingevoerd, zodat de veiligheidsvoorraden een buffer kunnen vormen in geval van tekorten op de aardoliemarkten. De directe aanleiding hiertoe was de oliecrisis van midden jaren ’70, waarbij veel landen niet klaar bleken adequaat te kunnen reageren op olietekorten.

    De veiligheidsvoorraden komen minstens overeen met 90 dagen netto invoer van aardolie. Ze bestaan uit zowel ruwe aardolie als geraffineerde producten. Het beheer van deze veiligheidsvoorraden is in handen van APETRA.

    APETRA

    APETRA (Agence de Pétrole – Petroleum Agentschap) beheert de Belgische veiligheidsvoorraden. Het agentschap werd opgericht door de wet van 26 januari 2006 betreffende de aanhouding van een verplichte voorraad aardolie en aardolieproducten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze voorraad (…) en werd vanaf 1 april 2012 de enige beheerder van de Belgische veiligheidsvoorraden.
    Meer informatie over APETRA.

    Laatst bijgewerkt
    31 maart 2020