Table of Contents
Economische activiteit en het streven naar een groter concurrentievermogen hebben een impact op de maatschappij en het milieu. Daarom is het essentieel om sociale en milieu-indicatoren te observeren om dat resultaat van het Belgische concurrentievermogen te beoordelen.
Sociale cohesie
Social Progress index
De Social Progress Index, opgesteld door The Social Progress Imperative, een niet-gouvernementele organisatie, beoordeelt de sociale vooruitgang over de hele wereld op basis van 57 sociale en milieu-indicatoren. Sinds de coronacrisis lijkt de wereldwijde sociale vooruitgang tot stilstand te zijn gekomen. Met een aanzienlijk verbeterde score, staat België op de 13e plaats van de wereld in 2024, net als in 2023. Ons land is daarmee een van de best presterende landen ter wereld. Duitsland (10e) en Nederland (8e) lieten een betere sociale vooruitgang zien, terwijl Frankrijk (24e) achterbleef op België. De positie van België op de ranglijst van sociale vooruitgang is sinds 2011 stabiel gebleven (+1 plaats). De zwakke punten van België hebben vooral betrekking op water en sanitaire voorzieningen (33e plaats), veiligheid (47e plaats) en informatie en communicatie (38e plaats). De sterke punten van ons land zijn kansen (10e plaats), rechten en stem (10e plaats), vrijheid en keuze (10e plaats) en geavanceerd onderwijs (7e plaats).
Armoede
Het uiteindelijke doel van het concurrentievermogen van een land is de welvaart van zijn bevolking. Het armoederisico, gemeten aan de hand van het percentage mensen dat het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, is de afgelopen jaren gedaald. In 2016 liep 22,2 % van de Belgische bevolking een armoederisico, tegenover 18,2 % in 2024. Ondanks die positieve trend staat België slechts op de 11e plaats met het laagste percentage in de EU, wat aantoont dat armoede actief moet worden bestreden.
Duurzame economie
Competitive Sustainablity Index
Milieuduurzaamheid staat vandaag centraal in het economisch beleid, in die mate dat het het traditionele economische model in vraag kan stellen. Met dit in gedachten ontwikkelde het Cambridge Institute for Sustainability Leadership in 2022 een Competitive Sustainability Index, die in 2024 wordt bijgewerkt. In tegenstelling tot de EU en de buurlanden verbeterde de score van België tussen 2022 (54) en 2024 (59). België was daarmee het 9e Europese land met de beste concurrerende duurzaamheid, na Nederland (67, 4e) en Duitsland (61, 7e) maar vóór Frankrijk (58, 10e). België presteerde in 2024 beduidend beter in de dimensie Economie/Welvaart, terwijl het minder goed presteerde in de dimensie Duurzaamheid/Milieu. Anderzijds noteerde het een sterke stijging van zijn score in de dimensies Samenleving/Rechtvaardigheid en Bestuur/Stabiliteit. De Competitive Sustainability Index wordt ook berekend voor de belangrijkste innovatie-ecosystemen. In 2024 bekleedt België de 8e plaats in Europa op het vlak van energie, de 4e plaats in de industrie, de 3e plaats in mobiliteit en de 4e plaats in de bouw, terwijl het minder goed presteert in de agrovoedingssector (9e) en in digitale technologie (15e).
Grondstofproductiviteit
Om te bepalen hoe efficiënt een land zijn grondstoffen gebruikt, wordt uitgegaan van de grondstofproductiviteit. Die maatstaf meet hoe een land zijn beschikbare grondstoffen gebruikt om producten te produceren en diensten aan te bieden? Om de grondstofproductiviteit te berekenen deelt men het bruto binnenlands product (bbp) door het binnenlands grondstofverbruik (ofwel Domestic Material Consumption).
Als het bbp sneller zou groeien dan het verbruik van de hulpbronnen, zou dat betekenen dat de productiviteit van de grondstoffen verbetert wat duidt op een economie die meer welvaart creëert zonder een evenredige toename van het verbruik van hulpbronnen nodig te hebben.
Economieën die de transitie maken naar een meer circulair model met minder materiaalverbruik, zouden hun afhankelijkheid van schaarse grondstoffen kunnen verminderen en hun concurrentievermogen versterken.
Vergelijking van de productiviteit van hulpbronnen in België en de EU-landen
Om de productiviteit van de hulpbronnen van verschillende landen te vergelijken in eenzelfde jaar wordt het bbp in koopkrachtpariteit (PPS) uitgedrukt. In 2023 bedroeg het gemiddelde cijfer voor de Europese Unie (EU27) zo’n 2,7 PPS/kg. De best presterende landen zijn Nederland, Italië en Luxemburg, met waarden tussen 6,0 PPS/kg en 4,3 PPS/kg.
België ziet zijn grondstofproductiviteit in 2023 licht dalen met 8,9 %, tot een cijfer van 3,1 PPS/kg en blijft daarbij in de EU-middenmoot.
De goede prestaties van enkele toplanden kunnen gedeeltelijk worden toegeschreven aan het feit dat hun economieën worden gedomineerd door dienstensectoren (bv. financiële diensten, toerisme, kunst en recreatie, gezondheidszorg en openbaar bestuur), die minder binnenlandse grondstoffen verbruiken.
Lidstaten met een lager bbp en een grote industriële en primaire ontginningssector (bv. bosbouw en mijnbouw) zijn minder grondstofefficiënt en scoren dus lager. Dat zijn over het algemeen lidstaten aan de rand van het continent, in Noord-, Oost- en Zuid-Europa.
Duurzame waterschaarste: WEI+ indicator
Water is een essentiële hulpbron voor sectoren zoals energie, chemie, mijnbouw, landbouw, papier en voeding. In delen van Europa is de beschikbaarheid ervan eerder beperkt en staan de bestaande bronnen aanzienlijk onder druk door de klimaatverandering.
De Wateronttrekkingsindex-plus (Water Exploitation Index plus – WEI+), ontwikkeld door het Europees Energieagentschap (EEA), geeft de mate van waterschaarste weer als de verhouding tussen de gemiddelde onttrekking van zoet water en de langetermijngemiddelde beschikbaarheid. De indicator corrigeert voor terugvloeiing en weerspiegelt zo de netto wateronttrekking.
Om de duurzame ontwikkelingsdoelstelling “Schoon water en sanitair” (SDG 6) tegen 2030 te realiseren, blijft het cijfer idealiter lager dan 20 %. Waarden boven dat aandeel worden aanzien als waterschaarste op lange termijn.
In 2022 waren Cyprus en Malta de lidstaten met de hoogste WEI+ (resp. 71 % en 34 %), het zijn eilanden met een warm en droog klimaat, weinig natuurlijke waterbronnen en een grote afhankelijkheid van regenval. Het Europese gemiddelde voor de WEI+ bedraagt 5,8 %. België doet het beter met 5,2 % en blijft daarmee ruim onder de SDG 6-doelstelling van 20 %. Ook buurlanden Nederland (4,0 %), Frankrijk (4,8 %) en Duitsland (3,6 %) voldoen aan de norm.
Broeikasgasuitstoot
Het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen is belangrijk om de gevolgen van de klimaatverandering te verzachten. In 2020 heeft de EU voor 2030 een nieuwe doelstelling vooropgesteld om de (binnenlandse) broeikasgasemissies met 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990.
In 2022 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen in België 103,2 miljoen ton CO₂-equivalent, een daling van 28 % ten opzichte van het referentiejaar 1990. Die indicator omvat de emissies van de zes broeikasgassen die door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals gedefinieerd in het protocol van Kyoto. Enkel emissies die binnen de nationale grenzen worden gegenereerd, worden in rekening gebracht; emissies verbonden aan ingevoerde goederen blijven buiten beschouwing. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen met 55 % tussen 1990 en 2030. Volgens de inschattingen van het Federaal Planbureau (FPB) zal dat doel niet bereikt worden.
Europese vergelijking van de broeikasgasemissies
Om Europese vergelijkingen mogelijk te maken, wordt de uitstoot van broeikasgassen vaak uitgedrukt per inwoner. Hoewel België in absolute termen de laagste broeikasgasuitstoot onder zijn buurlanden noteert, behoort het tot de tien hoogste uitstoters van de EU, met circa 9,3 ton CO₂-equivalent per inwoner. Dat niveau vertegenwoordigt is een daling van ongeveer 6 % ten opzichte van 2021. Van de buurlanden liet alleen Nederland in 2022 zijn uitstoot per capita meer dalen dan België.
In de Europese rangschikking staat België op de 18e plaats, net boven Duitsland (20ste) en Nederland (22ste). Frankrijk presteert beter en bevindt zich met een tiende plaats bij de best presterende helft van de lidstaten. Luxemburg kent de hoogste uitstoot per capita, met 15,5 ton CO₂-equivalent. Zweden onderscheidt zich als de best presterende lidstaat op dit vlak.
Circulariteitsgraad
De circulariteitsgraad van het materiaalgebruik (CMUR) geeft aan welk aandeel van het totale materiaalverbruik in België uit gerecycleerd afval bestaat. Een hogere CMUR vermindert de druk op natuurlijke hulpbronnen en de impact op milieu en klimaat. Minder afhankelijkheid van primaire, ingevoerde grondstoffen versterkt bovendien de strategische autonomie van ons land.
In 2020 zette de EU zichzelf als doel om tegen het begin van volgend decennium de CMUR te verdubbelen. Gerecycleerd materiaal was slechts goed voor 11,8 % van het gebruikte materiaal in 2023, een stijging van 1,1 procentpunt ten opzichte van 2010. Die trage vooruitgang, samen met de verwachte toename van de vraag naar materiaal tegen 2030, betekent dat de EU momenteel niet op koers ligt om het percentage circulair materiaalgebruik tegen 2030 te verdubbelen.
Binnen Europa lopen de circulariteitsgraden sterk uiteen, van 30,6 % in Nederland tot slechts 1,3 % in Roemenië in 2023. België staat met 19,7 % op de vierde plaats in de EU: bijna één vijfde van het gebruikte materiaal bestaat uit gerecycleerd afval. Daarmee is België op weg om de EU-doelstelling voor 2030 te halen, al schommelt het aandeel van jaar tot jaar.