FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Contact Center
Vooruitgangstraat 50
1210 Brussel
Tel. (gratis nr.): 0800 120 33
Fax (gratis nr.): 0800 120 57
E-mail: info.eco@economie.fgov.be
FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Algemene Directie Mededinging
Koning Albert II-laan 16
1000 Brussel
Tel: 02 277 87 82 of 02 277 74 22
Fax: 02 277 52 53
E-mail: dg.mededinging@economie.fgov.be
Toepassingsgebied van de wet tot bescherming van de economische mededinging
Communautaire concurrentieregels
Verzoek om voorlopige maatregelen
Afspraken en misbruiken van machtspositie worden beschouwd als restrictieve praktijken.
Het begrip afspraak omvat alle overeenkomsten en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst (art. 2, § 1er, van de wet tot bescherming van de economische mededinging gecoördineerd op 15 september 2006, hierna de WBEM). Deze praktijken vereisen een onderling afgestemde gedraging tussen minstens twee ondernemingen.
Men spreekt van een machtspositie van een onderneming wanneer deze positie de onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen.
Vormt eveneens een restrictieve mededingingspraktijk het feit dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan (art. 3 van de WBEM).
Het misbruik van machtspositie is het gevolg van de éénzijdige gedraging van één of meer ondernemingen.
Restrictieve mededingingspraktijken zijn verboden door de artikelen 2 en 3 van de WBEM en artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (ex-art. 81 en 82 van het EG-Verdrag).
Afspraken zijn van rechtswege nietig (art. 2, lid 2, van de WBEM, en artikel 101.2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (ex-art. 81 lid 2 van het EG-Verdrag).
De verbodsbepaling wordt evenwel niet toegepast als de voorwaarden van artikel 2, lid 3, van de WBEM of de voorwaarden van artikel 101.3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (ex-art 81 lid 3 van het EG-Verdrag) vervuld zijn.
Naar het voorbeeld van verordening (EG) nr. 1/2003, voert de WBEM een stelsel van wettelijke uitzondering in waarbij het aanmeldingssysteem met het oog op het bekomen van een negatieve verklaring of een ontheffing wordt afgeschaft.
Voor misbruik van machtspositie worden geen uitzonderingen geduld. Hier geldt een totaal verbod.
Om onder het toepassingsgebied van de WBEM te vallen, moeten restrictieve mededingingspraktijken uitgaan van ondernemingen.
Iedere entiteit (natuurlijke of rechtspersoon) die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft (art. 1 van de WBEM). De juridische vorm en de financieringswijze van die entiteit hebben geen belang bij de toepassing van de WBEM.
De afspraken of misbruiken moeten voortkomen van ondernemingen die ongeacht hun plaats van vestiging hun activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks op de Belgische markt uitoefenen.
Restrictieve praktijken worden enkel gesanctioneerd als zij de mededinging op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan gevoelige schade toebrengen. Enkel concurrentiebeperkingen die op de Belgische markt een bepaalde omvang hebben, zijn immers verboden.
Afspraken en misbruiken die de handel tussen de lidstaten kunnen beïnvloeden moeten door de mededingingsautoriteiten en de nationale rechtscolleges ook worden getoetst aan de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (ex-art. 81 en 82 van het EG-Verdrag).
Het betreft afspraken en misbruiken die een weerslag kunnen hebben op de handel tussen de lidstaten.
Voor deze afspraken, heeft de verordening (EG) nr. 1/2003 een stelsel van wettelijke uitzondering ingevoerd dat rechtstreekse toepassing mogelijk maakt door de Europese Commissie, door de nationale mededingingsautoriteiten en door de nationale rechterlijke instanties, van zowel het verbodsprincipe vermeld in artikel 101.1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (ex-aritkel 81 lid 1 van het EG-Verdrag) als van de uitzondering vermeld in artikel 101.3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (ex-art 81 lid 3 van het EG-Verdrag).
Een onderzoek kan worden geopend (art. 44 van de WBEM):
De klachten en verzoeken inzake restrictieve mededingingspraktijken worden ingediend bij de griffie ter attentie van het Auditoraat die de ontvankelijkheid en de gegrondheid ervan onderzoekt.
In geval van onontvankelijkheid of indien de klacht of het verzoek niet gegrond is, seponeert het Auditoraat de klacht of het verzoek bij een met redenen omklede beslissing.
Wanneer de klacht of het verzoek integendeel ontvankelijk of gegrond is, legt het Auditoraat een met redenen omkleed verslag neer bij de kamer van de Raad. Bovendien stuurt het Auditoraat een kopie van het verslag naar de beklaagde partijen.
De auditeur en de betrokken partijen worden uitgenodigd om hun opmerkingen en replieken neer te leggen binnen de termijnen bepaald door de voorzitter van de kamer.
Vervolgens onderzoekt de kamer van de Raad de zaak op de zitting. Tijdens de zitting hoort zij de auditeur en de betrokken ondernemingen. Op verzoek van de klager of van derden die een voldoende belang doen blijken, kunnen dezen eveneens worden gehoord door de kamer van de Raad.
Na beraadslaging neemt de Raad een beslissing, of heropent de onderzoeksprocedure (art. 45, 48, 52 en 53 van de WBEM).
Zie de vereenvoudigde tabel (PDF, 10.72 Kb)voor een overzicht van de procedure inzake restrictieve praktijken.
Het valt aan te bevelen dat personen die een klacht wensen in te dienen, vooraf contact opnemen met de griffie van de Raad voor de Mededinging.
Verzoeken om voorlopige maatregelen worden ingediend bij de griffie ter attentie van het Auditoraat die de ontvankelijkheid en de gegrondheid ervan nagaat.
Indien deze niet ontvankelijk of ongegrond zijn, seponeert het Auditoraat deze bij een met redenen omklede beslissing.
Indien dergelijk verzoek integendeel ontvankelijk of gegrond is, dient het Auditoraat een met redenen omkleed verslag in bij de voorzitter van de Raad en maakt een kopie over aan de beklaagde partijen.
De auditeur en de betrokken partijen worden uitgenodigd door de voorzitter van de Raad om hun bemerkingen en replieken neer te leggen.
Vervolgens kan de voorzitter van de Raad of het raadslid dat hij afvaardigt voorlopige maatregelen nemen teneinde de restrictieve mededingingspraktijken die het voorwerp van het onderzoek uitmaken te schorsen, indien het dringend is een toestand te vermijden die een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de belangen aangetast worden door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang (art. 62 van de WBEM).
Ondernemingen die een restrictieve mededingingspraktijk begaan, kunnen een geldboete krijgen van maximum dan 10% van hun omzet (art. 63 van de WBEM). De Raad voor de Mededinging kan aan personen, ondernemingen of ondernemingsverenigingen die niet meewerken tijdens het onderzoek, geldboeten opleggen ten belope van 1% van de omzet (artikel 64 van de WBEM).
Een onderneming of een ondernemingsvereniging die aan een kartel heeft deelgenomen kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van geldboeten bekomen indien deze onderneming er toe heeft bijgedragen het bestaan van deze verboden praktijk te bewijzen en de deelnemers eraan te identificeren, onder andere:
De Raad neemt daartoe een clementieverklaring aan waarin de voorwaarden worden bepaald waaronder de vrijstelling zou toegekend worden. Op het ogenblik van de beslissing kan de kamer van de Raad, indien de voorwaarden van de clementieverklaring werden nageleefd door de onderneming of ondernemingsvereniging, een vrijstelling van geldboeten toekennen in verhouding tot de bijdrage die geleverd werd om de inbreuk te bewijzen (artikel 49 van de WBEM).
Voor alle verdere inlichtingen betreffende het clementieverzoek, kunt u contact opnemen met de griffie van de Raad voor de Mededinging.
Tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging of van de voorzitter kan een niet-schorsend beroep worden ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel. Onder bepaalde voorwaarden, kan het Hof van beroep de uitvoering van de beslissing schorsen.
De betrokken ondernemingen, de beklaagde en de minister die de economie onder zijn bevoegdheid heeft, kunnen dit beroep instellen binnen een termijn van dertig dagen na kennisgeving van de beslissing door de Raad voor de Mededinging.
Eveneens derden die enig belang kunnen doen gelden en die gevraagd hebben om te worden gehoord door de Raad voor de Mededinging beschikken over een termijn van dertig dagen na kennisgeving van de beslissing (art. 75 en volgende van de WBEM).