Hieronder volgt een historisch overzicht van de acties die in België ondernomen werden inzake het beheer van verbruikte brandstof uit Belgische reactoren.
De eerste stappen naar opwerking
Overeenkomstig de oriëntatie die destijds door de Belgische overheid werd aangegeven, sloot Synatom nv in de loop van 1976-1978 drie contracten af met de Franse onderneming Cogéma dat een opwerkingsinstallatie in La Hague (Frankrijk) uitbaatte.
Er werden in 1976 twee contracten afgesloten met betrekking tot de eerste ontladingen van de verbruikte brandstoffen uit Tihange 1, Doel 1 en Doel 2. Het ging in totaal om veertig ton uranium, bestemd voor de opwerkingsinstallatie UP2 te La Hague (Frankrijk). De opwerking van deze verbruikte brandstof vond plaats in 1981 en 1982.
In 1978 tekende Synatom nv nog een derde contract met Cogéma met betrekking tot de ontladingen van de verbruikte brandstoffen uit Tihange 1, Doel 1 en Doel 2 gedurende de periode 1977-1979. Het ging in totaal om honderd ton uranium bestemd voor de opwerkingsinstallatie UP2 te La Hague (Frankrijk). De opwerking van deze brandstof duurde tot 1985.
Het uranium dat in het kader van deze drie contracten werd teruggewonnen, werd naar de verrijkingsinstallatie gezonden. Het afgescheiden plutonium werd in de eerste plaats gebruikt voor de fabricage van nieuwe splijtstoffen, bestemd voor snelle kweekreactoren. Een ander deel van het afgescheiden plutonium werd gebruikt voor de fabricage van Mox-brandstoffen in de installatie van Belgonucleaire nv. Deze brandstoffen werden hergebruikt in de Belgische kerncentrales.
Het radioactief afval (dus zonder het afgescheiden uranium en het afgescheiden plutonium) dat ontstond bij de opwerking van de zending van de eerste twee contracten uit 1976, bleef eigendom van Cogéma.
Het radioactief afval dat ontstond bij de opwerking van de zending van het derde contract keerde terug naar België. De terugname is reeds gebeurd onder de vorm van verglaasd afval.
Volgende opwerkingscontracten
In 1978 tekende Synatom nv nog een vierde contract. Het betrof een zogenaamde “service agreement” met Cogéma, met betrekking tot de ontladingen van verbruikte brandstof uit de reactoren Tihange 1, Doel 1 en Doel 2. Het ging in totaal om 530 ton uranium bestemd voor de opwerkingsinstallatie UP3 te La Hague (Frankrijk). Deze opwerkingsinstallatie moest toen nog gebouwd worden. De uiteindelijke opwerking van de verbruikte brandstof heeft plaatsgevonden tussen 1990 en 2000.
Het contract bevatte de voorwaarde om de kosten van investering en exploitatie van de opwerkingsinstallatie UP3 mede te financieren gedurende de eerste tien jaar. Synatom nv was dus tot het jaar 2000 gebonden om het aandeel van de investering en de exploitatie van de opwerkingsinstallatie te betalen.
In 1991 tekende Synatom een vijfde contract met Cogéma, dat uit twee delen bestond:
- het eerste deel had betrekking op de ontlading van de verbruikte brandstof uit Tihange 1 voor de opwerking van 225 ton uranium gedurende de periode 2001-2010.
- het tweede deel bestond uit een glijdende optie op een opwerkingscapaciteit van 120 ton uranium per jaar van 2001 tot 2015, in zijn geheel of gedeeltelijk te lichten per periodes van vijf jaar, en vijf jaar van te voren aan te kondigen.
Parlementair debat
Tijdens de jaren 1992 en 1993 vond er in België een parlementair debat plaats over het gebruik van Mox-brandstoffen in Belgische kerncentrales en over de opportuniteit om verbruikte brandstof op te werken. Het debat mondde uit in de resolutie van de Kamer van 22 december 1993 die als volgt luidt:
De Kamer draagt de regering op:
- “voortaan de strategie van de opwerking niet langer te bevoordeligen ten opzicht van de strategie van conditionering en directe berging (once through cyclus). De regering mag aldus de opwerking van bestraalde splijtstof niet langer als vanzelfsprekende referentiestrategie hanteren. Ze moet de voorwaarden scheppen opdat de strategie van conditionering en directe berging als alternatief kan worden ontwikkeld;
- gedurende een periode van 5 jaar:
- het opwerkingscontract gesloten in 1990 niet uit te voeren;
- de opties in dat contract, welke België zou moeten lichten in 1995, niet te lichten;
- over geen enkel nieuw opwerkingscontract te onderhandelen tijdens deze periode bestemd voor het onderzoek van de alternatieven;
- voorrang te verlenen aan onderzoek en ontwikkeling, ook in internationaal verband, met het doel op termijn de directe berging van bestraalde splijtstof te kunnen uitvoeren, zonder afbreuk te doen aan het huidig onderzoeksprogramma inzake de berging van opwerkingsafval in diepe geologische lagen.
Het jaarverslag van de NIRAS aan de wetgevende kamers dient een precieze stand van de voortgang van deze onderzoeksprogramma’s te bevatten; - haar binnen vijf jaar de elementen over te zenden voor een nieuwe globale evaluatie van de situatie op basis van onder meer de volgende criteria: de non-proliferatie, het beheer van het kernafval, de veiligheid, de bescherming van de werknemers, van de bevolking en van het leefmilieu alsook de economische aspecten;
- rekening houdend met de resultaten van de juridische analyses uitgevoerd op vraag van de regering en de Kamer van Volksvertegenwoordigers met betrekking tot de financiële gevolgen voortvloeiend uit de opzegging van het opwerkingscontract in 1978, toe te laten dat dit contract volledig wordt uitgevoerd. De regering zal onderzoeken of een deel van de voorziene capaciteit voor de opwerking van bestraalde brandstof, voor zover deze bestraalde brandstof nog niet La Hague is verzonden, aan derden kan worden overgedragen;
- de aanwending toe te laten van het plutonium afkomstig van het opwerkingscontract gesloten in 1978 onder de vorm van Mox-brandstof in de Belgische kerncentrales, overeenkomstig de uitslag van het onderzoek naar de vandaag mogelijke aanwendingen en de resultaten van de veiligheidsanalyse. Laatstgenoemde analyse voorziet onder meer dat de kerncentrales niet mogen worden gewijzigd.
- zich er ondertussen van te vergewissen dat:
- de elektriciteitsproducenten en Synatom een veilige tussentijdse stockage verzekeren van de bestraalde brandstof;
- de elektriciteitsproducenten en Synatom veiligheidsstudies uitvoeren (voor werknemers en bevolking) en haalbaarheidsstudies voor de industriële conditionering van de bestraalde splijtstof;
- alle kosten, investeringen en diverse lasten, hoofdzakelijke of bijkomstige, die verband houden met de productie van kernenergie en de nucleaire brandstofcyclus ten laste worden gelegd van de elektriciteitsproducenten. Deze kosten mogen niet afgewenteld worden op derden;
- voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen van NIRAS om haar opdrachten te realiseren binnen haar huidige of eventueel verruimde bevoegdheden;
- de nodige maatregelen te treffen in het raam van de eventuele privatisering van de NIM en haar dochteronderneming Synatom, om aan de federale staat een vetorecht toe te kennen inzake elke beslissing die strijdig is met het algemeen belang;
- via haar bestuurders, het volledige overheidsgezag waarmee zij is bekleed uit te oefenen ten aanzien van de publieke instellingen en de gemengde ondernemingen in de energiesector;
- het federaal agentschap voor nucleaire controle, na de aanvaarding van het wetsontwerp door de wetgevende kamers zo snel mogelijk operationeel te maken;
- door een efficiënt toezicht, de veiligheid van het transport van bestraalde splijtstof en van de producten afkomstig van de opwerking te garanderen;
- de informatie aan de bevolking omtrent de nucleaire activiteiten te verbeteren;
- deze besluiten met het oog op hun uitvoering mede te delen aan de vertegenwoordigers van alle betrokken instanties in de energiesector”
De uitvoering van Resolutie door de federale regering
In zijn zitting van 24 december 1993 heeft de ministerraad de opdracht aanvaard. De verschillende punten van de resolutie werden in de periode 1993-1998 stelselmatig uitgevoerd. Als voornaamste punten zijn te vermelden:
- De opschorting van het vijfde opwerkingscontract van 1991. De optie van de opwerkingscapaciteit in de periode 2001-2005 werd niet gelicht.
- De uitbreiding van de activiteiten inzake onderzoek en ontwikkeling van de NIRAS over de geologische berging. Terwijl vroeger het onderzoek en de ontwikkeling toegespitst werden op de geologische berging van radioactief afval, moeten de activiteiten verruimd worden met de geologische berging van verbruikte brandstof.
- Het vierde opwerkingscontract, afgesloten in 1978, werd uitgevoerd. Het bleek onmogelijk om een derde partij te vinden die de voorziene capaciteit kon overnemen.
- De aflevering van de vergunningen voor het gebruik van Mox-brandstoffen in Tihange 2 en Doel 3.
- De indienststelling van opslaginstallaties voor verbruikte brandstof. Er kwam een gecentraliseerde droge opslagplaats te Doel in 1995 en een gecentraliseerd opslagbekken te Tihange in 1997;
- De ontwikkeling van een container voor de berging van geconditioneerde verbruikte brandstof en de uitvoering van een technische haalbaarheidsstudie en van een voorontwerp van een conditioneringsinstallatie voor verbruikte brandstof.
- De uitvaardiging van een koninklijk besluit van 10 juni 1994 tot invoering ten voordele van de staat van een bijzonder aandeel in Synatom nv, waardoor de minister bevoegd voor Energie twee vertegenwoordigers mag benoemen in de Raad van Bestuur van Synatom. Deze vertegenwoordigers kunnen beroep aantekenen tegen elke beslissing van de Raad van Bestuur van Synatom die zij strijdig achten met de krachtlijnen van ’s lands energiebeleid, met inbegrip van de doelstellingen van de regering inzake de bevoorrading van het land.
- In 1998 werd een synthese- en evaluatierapport opgesteld dat de stand van zaken weergaf van de werken die tot dan toe werden verwezenlijkt door de betrokken instellingen en ondernemingen. Naar aanleiding van dit rapport heeft de ministerraad van 4 december 1998 volgende beslissingen genomen:
- de opzegging van het vijfde opwerkingscontract van 225 ton uranium afgesloten in 1991 tussen Synatom nv en Cogéma, met inbegrip van de opties voorzien in dit contract. De opzegging moest ten laatste op 23 december 1998 gebeuren;
- zonder de formele goedkeuring van de regering geen nieuwe opwerkingscontracten meer sluiten;
- te gepaste tijde een verslag uit te werken met een volledige visie over de stroomafwaartse fase van de nucleaire brandstofcyclus (d.w.z. de fase na de ontlading van de verbruikte brandstof uit een reactor)
De opzegging van het opwerkingscontract van 1991 heeft daadwerkelijk plaatsgehad. Na 1998 werd de technische validatie van het conditioneringsprocédé voortgezet, alsook de economische vergelijking van de twee opties van de stroomafwaartse fase van de nucleaire brandstofcyclus.