Energiebevoorradingszekerheid

Wanneer er sprake is van de energiebevoorradingszekerheid van een land of een regio denkt men in de eerste plaats aan energieonafhankelijkheid, d.w.z. het aandeel primaire energie dat geproduceerd wordt op het grondgebied van dat land of die regio. Welnu, op energievlak zijn Europa en België in ruime mate afhankelijk van de rest van de wereld. Momenteel is het een illusie te denken dat die afhankelijkheid zal verminderen. Het komt er dus op aan die afhankelijkheid degelijk te beheren. Dat beheer vertaalt zich in een diversificatie van energiebronnen (fossiele, hernieuwbare, …) van invoerende landen en van bevoorradingsroutes in functie van de staat van de energiereserves en van de internationale geopolitieke situatie.

Als antwoord op de toenemende afhankelijkheid van ingevoerde energie hebben de Europese landen besloten van de bevoorradingszekerheid een van de drie pijlers van hun energiebeleid te maken. Die drie pijlers zijn:

  • betrouwbaarheid in termen van bevoorradingszekerheid en -continuïteit;
  • duurzaamheid in termen van milieuvriendelijkheid;
  • concurrentievermogen in termen van efficiënte dienstverlening voor gezinnen en ondernemingen door bij te dragen tot het globale concurrentievermogen van de Europese economie en tot de levenskwaliteit van de burgers.

Sinds enkele jaren heeft de Europese Commissie tal van initiatieven gelanceerd met betrekking tot bevoorradingszekerheid zowel in de aardoliesector (strategische voorraden en gecoördineerde crisismaatregelen) als in de gas- en elektriciteitsector (interne markt, trans-Europese energienetwerken, …).

Bevoorradingszekerheid is een openbare dienstverplichting geworden in de context van de richtlijnen betreffende de liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt. Richtlijn 2005/89/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 18 januari 2006 inzake maatregelen om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en de infrastructuurinvesteringen te waarborgen bepaalt onder meer:

  • de lidstaten voeren een beleid dat leidt tot een adequaat evenwicht tussen vraag en aanbod waarbij doelstellingen kunnen worden bepaald met betrekking tot reservecapaciteit of aan de vraagzijde equivalente maatregelen kunnen worden genomen;
  • de lidstaten zorgen voor normen met betrekking tot de veiligheid van de transport- en distributienetwerken;
  • elke transportnetbeheerder moet een jaarlijkse of over verschillende jaren lopende investeringsstrategie aan zijn nationale reguleringsoverheid voorleggen;
  • de reguleringsoverheden moeten de Europese Commissie een samenvatting van die investeringsprogramma’s bezorgen met het oog op bespreking met de Groep van Europese regulatoren voor gas en elektriciteit en rekening houdend met het prioritaire Europese belang in het raam van de trans-Europese energienetwerken;
  • de regulatoren hebben het recht tussenbeide te komen om de realisatie van projecten te versnellen en in voorkomend geval voor sommige projecten een openbare aanbesteding uit te schrijven wanneer zij ervan uitgaan dat de transportnetbeheerder niet bij machte zou zijn of het niet wenselijk zou achten de desbetreffende projecten te realiseren.

De Europese Commissie beklemtoont de essentiële rol van investeringen in infrastructuur bij de ontwikkeling van de interne markt. Wat betreft elektriciteit hebben de lidstaten zichzelf een stevige doelstelling opgelegd om een interconnectieniveau te bereiken van ten minste 10 % van hun geïnstalleerde capaciteit (Europese raad van Barcelona van maart 2002 en Europese Raad van Brussel van maart 2006). België respecteert deze doelstelling ten volle.

De Europese Commissie bouwt geleidelijk een ambitieus beleid uit om de klimaatverandering te bestrijden. Naast een grootscheepse hervorming van het communautaire systeem voor quota-uitwisseling inzake broeikasuitstoot wordt ook gestreefd naar een groter aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de finale energievraag van de EU (in 2020 moet dat aandeel 20 % bedragen).

Verder voorziet het derde energiepakket in de formalisering van vrijwillige samenwerking tussen de Europese transportnetbeheerders (binnen de verschillende verenigingen van Europese TNB’s, zoals ETSO, UCTE, Nordel, enz. voor elektriciteit en GTE voor gas). De Europese Commissie stelt voor de TNB’s die in een Europees netwerk van transportnetbeheerders verenigd zijn (ENTSO-E voor elektriciteit en ENTSO-G voor gas) te verplichten deel te nemen aan het optimale beheer van het Europees transportnet en hen het volgende op te dragen:

  1. het uitwerken van ontwerpen van normen en codes om de operationele procedures en stelsels voor toegang voor derden compatibel te maken (te harmoniseren), bijvoorbeeld door de toegang voor ondernemingen tot de netten van verschillende landen te vergemakkelijken;
  2. gecoördineerd beheer van het Europese net in overeenstemming met de gemeenschappelijke normen en codes en via het opzetten van gemeenschappelijke exploitatie-instrumenten;
  3. coördinatie van de plannen voor investering in de netwerken en toezicht op de evolutie van de capaciteit. Tienjarenplannen over de ontwikkeling van het net voor heel Europa zullen regelmatig gepubliceerd worden; eventuele lacunes in de investeringen zullen dan duidelijk blijken.

De bevoorradingszekerheid met betrekking tot elektriciteit, aardgas, aardolie en aardolieproducten wordt toegelicht in afzonderlijke hoofdstukken.

Overige nuttige informatie:

Wetgeving

Contact Center

FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Contact Center

Vooruitgangstraat 50
1210 Brussel

Open van 9.00 tot 17.00 uur

Meer over het Contact Center

Tel.: +32 800 120 33
Fax: +32 800 120 57

Volg de FOD Economie

FacebookExterne linkTwitterExterne link

Algemene Directie Energie

FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Algemene Directie Energie

North Gate III
Koning Albert II-laan 16
1000 Brussel

Tel.: 02 277 81 80
Fax : 02 277 52 01