De vergoeding voor openbare uitlening

Op 13 december 2012 werd een nieuw koninklijk besluit inzake vergoeding voor openbare uitlening goedgekeurd, dat op 27 december 2012 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Dit koninklijk besluit is het resultaat van constructieve gesprekken, sinds meer dan een jaar, tussen de Federale Overheidsdienst Economie, de gemeenschappen, de vertegenwoordigers van de rechthebbenden en de verenigingen van uitleeninstellingen.

Achtergrond: ingevolge het door de vertegenwoordigers van rechthebbenden ingediende beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 25 april 2004 inzake vergoeding voor openbare uitlening, heeft de Raad van State een prejudiciële vraag gesteld over de conformiteit van de bedragen van de vergoeding voor openbare uitlening met het recht van de Europese Unie. Op 30 juni 2011 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest geveld waarin de wijze van berekening van de vergoeding voor openbare uitlening, vastgesteld in het koninklijk besluit van 25 april 2004, niet conform wordt geacht met de Europese wetgeving (richtlijn 92/100, thans 2006/115).

Naar aanleiding van dat arrest hebben er talrijke consultatie- en informatievergaderingen plaatsgevonden met de betrokken milieus, teneinde tot een consensus te komen, in het kader van de richtsnoeren die voortaan door het Hof van Justitie worden bepaald.

Die raadplegingen mondden uit in de goedkeuring van het koninklijk besluit van 13 december 2012.

De voornaamste kenmerken van het nieuwe stelsel inzake vergoeding voor openbare uitlening zijn de volgende:

  • de vergoeding voor openbare uitlening bestaat voortaan uit twee elementen, namelijk, enerzijds een forfaitaire vergoeding gebaseerd op de collecties van de uitleeninstellingen en, anderzijds, een evenredige vergoeding op basis van het aantal uitleningen van de uitleeninstellingen. Die elementen maken het mogelijk beter rekening te houden met de uitleenactiviteit van die instellingen en voorkomt praktische problemen (dubbele inschrijving, collectieve gebruikers, enz.) ingevolge de toepassing van het criterium “aantal ingeschreven leners” bepaald in het koninklijk besluit van 25 april 2004; 
  • de bedragen van de vergoeding worden vanaf 2013 over een periode van vijf jaar geleidelijk opgetrokken. Na afloop van die 5-jarige periode zullen de in het koninklijk besluit vastgestelde bedragen met 75% zijn gestegen;

  • er wordt in maatregelen voorzien om de centralisatie van de aangiften en de betalingen door de gemeenschappen, de diverse overheden en de verenigingen van uitleeninstellingen aan te moedigen. Hiertoe wordt in tariefverminderingen voorzien ingeval van centralisatie teneinde rekening te houden met de administratieve vereenvoudiging en de besparingen bij de inning van en de controle op de vergoeding voor openbare uitlening;
  • de verdeelprocedure wordt transparanter dankzij een rapport dat de vennootschap voor het beheer van de rechten REPROBEL jaarlijks aan de federale minister van Economie en aan de gemeenschappen zal bezorgen. De vorm en de inhoud van dat rapport kunnen door de minister van Economie worden bepaald;

  • teneinde zeker te zijn dat het ontwerp van koninklijk besluit zonder moeilijkheden zal worden toegepast, zal de minister van Economie de toepassing ervan na twee jaar evalueren en vervolgens om de vier jaar;
  • aangezien het koninklijk besluit van 25 april 2004 door het Hof van Justitie niet conform het recht van de Europese Unie werd geacht, wordt het ingetrokken en vanaf 1 januari 2004 vervangen door het nieuwe koninklijk besluit van 13 december 2012. Dat besluit voorziet in begeleidende maatregelen teneinde voor de uitleeninstellingen de negatieve gevolgen van de toepassing van het nieuwe koninklijke besluit vanaf 1 januari 2004 zoveel mogelijk te beperken, en dit zowel op het budgettaire als op het administratieve vlak. Die maatregelen bepalen met name dat voor de periode 2004–2012 minstens de gemeenschappen de aangiften centraliseren en met de andere overheden de betaling van de vergoeding voor openbare uitlening coördineren, onverminderd wat reeds in het verleden is betaald.

Het overleg met de verschillende belanghebbenden heeft gezorgd voor een positieve samenwerkingsdynamiek tussen enerzijds de federale Staat, de gemeenschappen, de verenigingen van uitleeninstellingen, en anderzijds de rechthebbenden en hun beheervennootschappen.

Wetgeving

Contact Center

FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Contact Center

Vooruitgangstraat 50
1210 Brussel

Meer over het Contact Center

Tel.: +32 800 120 33
Fax: +32 800 120 57

Volg de FOD Economie

FacebookExterne linkTwitterExterne link