FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Contact Center
Vooruitgangstraat 50
1210 Brussel
Tel. (gratis nr.): 0800 120 33
Fax (gratis nr.): 0800 120 57
Stel je vraag via het online webformulier
FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
Algemene Directie Energie
Dienst Externe Betrekkingen
Koning Albert II-laan 16
1000 Bruxelles
Tel: 02 277 91 34
Conflicten in het Midden-Oosten, de meerdere geopolitieke spanningen en stroomonderbrekingen tonen aan dat onze energiebevoorrading zeer gevoelig is en dat elke eventuele crisis moet worden voorkomen.
Het diversifiëren van onze bevoorrading met stookolie en petroleumproducten wordt overgelaten aan de keuze van de Belgische invoerders. Voor het controleren van de vraag naar petroleumproducten voeren de federale en regionale regeringen een meer actief beleid, vooral binnen het kader van het beleid voor duurzame ontwikkeling, de nationale en regionale klimaatplannen en de richtlijnen met betrekking tot het milieu en het rationele energiebeleid.
De strijd tegen een crisis (een nationale of internationale) op de petroleummarkt valt volledig onder de bevoegdheid van de FOD Economie. Er werd een waaier aan instrumenten uitgewerkt sinds de eerste petroleumcrisis in 1973-1974, zoals:
De basis van een crisisbeleid steunt op en aantal historische en actuele gegevens die voldoende gedetailleerd zijn, die door alle partijen worden geaccepteerd en die een beeld geven van de verschillende spelers op de aardoliemarkt en hun activiteiten.
Momenteel beheert de FOD Economie via zijn Algemene Directie Energie:
In het kader van het akkoord “International Energy Program (IEP)” zijn de lidstaten van het Internationaal Energie Agentschap(IEA) verplicht om een nationale instelling te plannen, die men de “National Emergency Sharing Organisation (NESO)” noemt en waarvan de bevoegdheden en de taken formeel worden opgenomen in een akkoord.
In overeenstemming met de richtlijnen van de NAVO moet elke lidstaat in crisistijd een NOB creëren dat instaat voor het contact met de aardolie-instanties van de NAVO.
Het koninklijk besluit van 1984 concretiseert de oprichting van het Nationaal Oliebureau dat belast is met:
Het NOB valt onder de beleidsbevoegdheid van de minister van Energie. Het dagelijkse beheer wordt toevertrouwd aan de Algemene Directie Energie van de FOD Economie. Bij de voorbereiding en tijdens crisismomenten worden zij bijgestaan door werkgroepen die de experts groeperen van de aardoliesector, van andere administraties van de FOD Economie en van andere federale departementen.
Bij vroegere aardoliecrises heeft men een aantal ministeriële besluiten genomen die trachten de vraag te beperken en het aardolieaanbod te regelen. Momenteel bevinden deze ministeriële besluiten zich als geactualiseerde documenten in de wachtkamer.
In de herfst van 2002 begon men met een oefening om het beleid te actualiseren. De Algemene Directie Economisch Potentieel van de FOD Economie stelde in samenwerking met de andere federale en regionale administraties een lijst op met de prioritaire verbruikers van aardolieproducten.
In 2004 organiseerde de FOD Economie onderhandelingen met de verschillende sectorale organisaties en met personen die onderworpen zijn aan de opslagverplichting en dit met het oog om te komen tot een definitie van de regels met betrekking tot de nationale en internationale verdeling van de reserves en tot een oproep voor de nationale stocks. Een “gentlemen’s agreement” project werd opgesteld in overleg met de sector.
De wet van 20 juli 2006 geeft op basis van een uitbreiding van de wet van 1976 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma de mogelijkheid om via koninklijke besluiten de regels te bepalen voor de internationale en nationale toebedeling, voor de inzet van de verplichte voorraden, voor beperkende maatregelen en prioritaire eindgebruikers.
België beschikt over een “noodreserve” aardolieproducten. De Europese Unie verplicht de lidstaten om een equivalent van 25 % (hetzij 90 dagen) bij te houden van de hoeveelheid aardolieproducten die geleverd werd voor de jaarlijkse consumptie van het voorgaande jaar. Deze regel geldt voor de volgende drie categorieën aardolieproducten:
De andere aardolieproducten zoals bitumen, LPG, nafta, white spirit, petroleumkooks, … dienen niet te worden opgeslagen.
Men moet ook vermelden dat het Internationaal Energie Agentschap eveneens een verplichting oplegt om gedurende 90 dagen de netto-invoer van alle aardolieproducten op te slagen.
De Europese wetgeving legt tamelijk specifieke regels vast met betrekking tot de stocks die men moet houden, maar verbindt de lidstaten niet voor de manier waarop zij dit doen. Iedere lidstaat kan zijn eigen systeem voor het aanhouden van de reserves vrij uitwerken.
In wezen kan men twee soorten systemen combineren:
Gedurende vele jaren heeft België geopteerd voor een gedecentraliseerd systeem en zijn opslagverplichting overgedragen aan invoerders en raffinaderijen.
Na de situatie te hebben onderzocht in de Europese Unie en binnen de OESO - waar meer en meer lidstaten opteren voor een centrale instantie die de nationale stocks beheert door nu en dan brute aardolie en afgewerkte aardolieproducten aan te kopen (bijvoorbeeld Duitsland en Nederland) - heeft de FOD Economie een nieuwe wetgeving uitgewerkt, die zowel aanvaardbaar is voor de sector als voor de autoriteiten. Dit stelt België in staat om zijn internationale verplichtingen na te komen met betrekking tot de minimum stocks (EU en IEA) en om vervolgens de beschikbaarheid te verhogen en de kwaliteit van de verplichte stocks te respecteren.
Als gevolg van het goedkeuren van de wet van 26 januari 2006 over het houden van verplichte aardoliestocks en -producten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze stocks werd een naamloze vennootschap onder publiek recht opgericht: APETRA (Agence du pétrole – Petroleum Agentschap).
APETRA moet over het algemeen de strategische stocks beheren en ruwe aardolie of afgewerkte aardolieproducten aankopen, opslagcapaciteiten kopen, bouwen of huren, en contracten voor operationele stocks afsluiten bij Belgische of buitenlandse operatoren. Het moet strenge eisen respecteren qua kwaliteit en beschikbaarheid. Deze worden opgelegd door de wet van 26 januari 2006, die regelmatig fysieke controles voorziet en die afschrikwekkende sancties inhoudt.
Bij de aanvang van zijn activiteiten, op 1 april 2007, had APETRA, ongeveer 85 % van de nationale verplichtingen in handen, de rest werd door de grootste operatoren beheerd. Gedurende de eerste vijf jaar van zijn bestaan zal de opslagverplichting van de grote operatoren stilaan worden teruggedrongen, zodat APETRA uiteindelijk volledig zal instaan voor de ganse Belgische opslagverplichting.
De Algemene Directie Energie van de FOD Economie zetelt in de Raad van Beheer van APETRA.
Het crisisbeleid inzake olie wordt bepaald door het Internationaal Energie Programma. De verplichtingen die de deelnemende landen door ondertekening van deze bindende overeenkomst hebben genomen, zijn in beginsel:
In dreigende crisissituaties zal in IEA-kader door de lidstaten worden bekeken wat de gewenste optimale samenstelling is van het te nemen pakket maatregelen. De belangrijkste instrumenten die het IEA daarbij ten dienste staan, zijn de inzet van strategische voorraden en het beperken van de vraag naar olie.
Naar aanleiding van de bevoorradingsproblemen in de Verenigde Staten door de Orkaan Katrina werd, na instemming van alle IEA-lidstaten, op 2 september 2005 het IEA-Emergency Response Plan van kracht. Dit betekende concreet dat de 26 IEA-leden formeel instemden tot het vrijgeven van nationale oliereserves ter compensatie van de verliezen in de Verenigde Staten.
Voormalig minister van Energie Verwilghen hechtte zijn goedkeuring aan de uitvoering van dit noodplan en besliste dat België een deel van de strategische nationale benzinevoorraad hiervoor zou aanwenden.